13/05/11, 07u19
De Raad van State heeft in een advies de deur opengezet om de financiering van erediensten en levensbeschouwingen anders te verdelen. Het hervormingsvoorstel dat eerder dit jaar op tafel werd gelegd, is voor Patrick Loobuyck, moraalfilosoof verbonden aan de Universiteit Antwerpen en de Universiteit Gent, ruim onvoldoende.
Naar aanleiding van de pedofilieschandalen in de kerk en de controversiële uitspraken van aartsbisschop Léonard stonden discussiefora vol met vragen over de legitimiteit van onze kerk-staatverhouding. Is het rijkelijk financieren van de zeven erkende levensbeschouwingen, hun bedienaren, hun godsdienstonderwijs en hun media nog wel van deze (geseculariseerde) tijd? Ook op politiek vlak zijn er vragen gerezen. Steeds meer groeit het inzicht dat de regelgeving inzake kerkfinanciering historisch gegroeid is als "het afzonderlijk regelen van afzonderlijke gevallen". De regelgeving is een allegaartje die onvoldoende op elkaar is afgestemd, en op verschillende punten komt het gelijkheidsbeginsel in het gedrang.
Zo is het loon van de 'werknemers' van de levensbeschouwingen afhankelijk van de levensbeschouwing. De moreel consulent van de vrijzinnige humanisten verdient meer dan de priester. Ook de subsidies voor erkende levensbeschouwingen worden onfair verdeeld. De begroting van de katholieke kerk is gebaseerd op het aantal inwoners per parochie en niet op het aantal gedoopte of praktiserende mensen, terwijl voor andere levensbeschouwingen andere criteria worden gebruikt. Dat leidt tot een onevenredige verdeling van subsidies, in het voordeel van de rooms-katholieke kerk: unfair maar ook niet langer in overeenstemming met de sociologische realiteit.
De commissie Mortier-Rigaux (2005-'06) had al expliciet op die ongelijkheid gewezen en de werkgroep Magits heeft in dit verband een alternatief voorstel uitgewerkt. Dat voorstel werd op 1 februari 2011 in de Kamercommissie Justitie gepresenteerd. De werkgroep stelt duidelijke criteria voor opdat een levensbeschouwing erkend zou kunnen worden en ze pleit voor eenzelfde statuut, eenzelfde loon en pensioen voor de 'werknemers' van de verschillende levensbeschouwingen. De werkgroep stelt ook voor om elke tien jaar de bevolking te bevragen zodat de middelen op basis van het aantal aanhangers kan worden verdeeld. Dat zou zonder meer een stap vooruit zijn.
AnachronismeToch gaan de voorstellen niet ver genoeg. Men blijft immers binnen de krijtlijnen van de grondwet van 1831. De Raad van State heeft trouwens in een recent advies aangegeven dat daarbinnen nog wel wat speelruimte mogelijk is. Maar waarom niet de durf hebben om ook het grondwettelijk verankerd, maar anachronistisch systeem ter discussie te stellen? De samenleving is grondig veranderd en de plaats die levensbeschouwing inneemt, is drastisch gewijzigd. Het voorstel van de werkgroep Magits blijft gevangen in een verzuilde, corporatistische logica waardoor de meer fundamentele vraag of er nog wel een maatschappelijk draagvlak is voor kerkfinanciering vakkundig omzeild wordt.
Hetzelfde geldt voor de vraag in hoeverre het in een gedetraditionaliseerde samenleving nog zinnig is om onderscheid te maken tussen erkende en niet-erkende levensbeschouwingen. En wat met de uitzendingen door derden waar luisteraars consequent en soms geërgerd van wegzappen? Op verschillende plaatsen in het rapport herhaalt de werkgroep dat alle voordelen die erkende levensbeschouwingen hebben, gevrijwaard moeten worden. Dat betekent dat ook de boeddhisten straks zendtijd krijgen op radio en tv en een vak mogen geven in het officieel onderwijs.
De voorstellen raken immers ook niet aan artikel 24 van de grondwet. Ook dat is een gemiste kans. De discussie over de levensbeschouwelijke vakken is aan de gang maar wordt gefnuikt door deze grondwettelijke bepaling die stelt dat alle officiële scholen alle erkende levensbeschouwingen naast elkaar moeten aanbieden. Heel wat ouders, directeurs en leerlingen stellen dit segregatiesysteem in vraag. Het levensbeschouwelijke onderwijs is een zaak waarin de kerk-staatverhouding heel manifest aan de orde is, maar er wordt in het rapport Magits met geen woord over gerept.
Wat mij betreft is het tijd om de kerk-staatverhouding grondig te overdenken en op de rails te zetten voor de 21ste eeuw. Het systeem consistenter maken en zo het status-quo behouden is onvoldoende. De burgers moeten de mogelijkheid krijgen zich voor of tegen kerkfinanciering uit te spreken. Daartoe zijn verschillende mogelijkheden. Denken we maar aan een systeem van kerkbelasting of aan een bevraging via de gemeentelijke stembrief. Hierbij moet mensen niet alleen gevraagd worden welke levensbeschouwing ze willen financieren, maar ook of ze überhaupt nog willen dat levensbeschouwingen gefinancierd worden.
De hoeveelheid geld die de overheid vrijmaakt om onder de verschillende erkende levensbeschouwingen te verdelen, moet afhankelijk gemaakt worden van de steun die een actief ondersteunend beleid nog krijgt.
En als het een troost mag zijn voor zij die vrezen dat levensbeschouwingen op die manier zullen verdwijnen: nogal wat onderzoek toont aan dat kerkfinanciering de levensbeschouwingen lui en ondynamisch maakt. Wat maakt het een priester uit dat er slechts vier gelovigen die niet al te lang meer te leven hebben in de kerk zitten, als hij toch zeker is van zijn woonst en pensioen? Ik ben ervan overtuigd dat een drastische herziening van het financieringssysteem de levensbeschouwingen kan wakker schudden en kan dwingen om te zoeken naar hun authenticiteit en eigenheid - wars van postjes en verzuilde belangen die tot hiertoe steeds beschermd moeten worden.