07/04/11, 06u32
In een opiniestuk in deze krant pleitte de Leuvense topeconoom Paul De Grauwe om de kunstsubsidies te hervormen (DM 6/4) en veel meer macht te geven aan het publiek dat theaters, kunstencentra, musea en andere culturele organisaties bezoekt. Bart Caron antwoordt. Caron is Vlaams Parlementslid (Groen!). Hij was kabinetschef onder oud-cultuurministers Anciaux en Van Grembergen.
-
Enkel de artistieke waarde van een kunstwerk kan een criterium zijn voor kunstsubsidie, niet de participatie
Paul De Grauwe waagt zich op het glibberige pad van
de discussie over cultuursubsidies (DM 6/4). Niet voor het eerst evenwel, want al in zijn polemische boek 'De Nachtwacht in het donker' uit 1990 ging hij uitgebreid in op de spannende relatie tussen economie en de kunsten. De Grauwe pleit daarin om de kunsten aan de markt over te laten. Nu merk ik dat hij subsidies voor de kunsten wél nodig acht. Enig licht schijnt in het donker, alleen lijkt zijn verdelingsmechanisme bizar. Bizar maar voorspelbaar. We krijgen een nogal donkerblauw verhaal, waarbij het artistieke werk als een product benaderd wordt, vanuit omzet en consumptie; niet vanuit intrinsieke waarde. Een pleidooi om de subsidies te koppelen aan publiekscijfers.
Het is een vreemde benadering voor een liberale denker. Eerst zou hij zich namelijk a priori de vraag moeten stellen wanneer subsidies nodig zijn en waarvoor. Ook wanneer niet. Culturele producten die goed verkopen, ruime publieksgroepen aantrekken en dus winstgevend zijn, hoeven helemaal geen subsidie te krijgen. Dat is het geval voor het grootste deel van het aanbod. De rockmuziek, de film, het boekenvak, grote delen van de beeldende kunst... ze draaien op een marktmodel. Daar komt de overheid niet over de brug met subsidies. Hoeft ook niet. Maar er worden ook artistieke zaken gemaakt die niet kunnen overleven in een marktmodel. En daarom worden ze gesubsidieerd. Soms tijdelijk, zoals jonge beloftevolle beeldende kunstenaars die later internationaal erkend worden en niet meer langs de overheidskassa hoeven te passeren. Maar sommige disciplines kunnen daarvan zelfs niet dromen. Wie theater maakt of hedendaagse dans, wie sociaal-artistiek werk maakt met kansengroepen, wie investeert in jong geweld zoals de kunstencentra, die kunnen dat enkel met subsidies.
Ik ben al jaren pleitbezorger van een intens participatiebeleid: zoveel mogelijk mensen zoveel mogelijk kansen geven om aan kunst en cultuur deel te nemen. Vlaanderen investeert via specifieke kanalen om die doelen te benaderen: via cultuurcentra en openbare bibliotheken, via participatieprojecten, kortingssystemen, educatie, enz... Maar participatie kan finaal niet het criterium zijn voor kunstsubsidie. Dat kan enkel de artistieke waarde van het kunstproduct zelf zijn. Is wat gemaakt wordt waardevol genoeg voor de samenleving, en, zou dat kunstwerk gemaakt kunnen worden als er geen subsidie wordt toegekend? Als je daar respectievelijk met 'ja' en 'neen' op antwoordt, dan is subsidie verantwoord.
Daarnaast zijn er nog een aantal algemeen maatschappelijke motieven om kunst te subsidiëren, maar die situeren zich op een metaniveau. Weinigen betwisten dat de overheid verantwoordelijkheid moet nemen voor de productie van collectieve goederen en diensten, dat ze moet instaan voor die taken die anderen niet of onvoldoende behartigen. Daarbij horen de zogenoemde onrendabele maar maatschappelijk verantwoorde diensten zoals gezondheidszorg en welzijn, maar ook cultuur.
Subsidie is niet zaligmakend. Er wordt prachtige muziek gemaakt die winstgevend is. Er worden mooie films gemaakt, boeken geschreven en die worden goed verkocht. Uitstekend. Maar wat met zij die niet met de markt overleven? Daarvoor dienen subsidies.
Meteen rijst de vraag hoe de overheid die subsidies moet verdelen. Daar zijn talrijke criteria voor, maar aan de basis ligt altijd een kwaliteitsuitspraak. We gaan toch geen duur belastinggeld aan derderangskunst verpatsen? Akkoord, er is geen set van harde normen, het is geen exacte wetenschap en dus kwetsbaar voor kritiek. En ja, dat kwaliteitsoordeel wordt uitgesproken door specialisten die deel uitmaken van commissies, maar is er een betere methode? De smaak van de minister? Zeker de politiek niet. Dat commissieleden soms een uitgesproken smaakoordeel hebben, is waar. Maar ze hebben vooral oog voor vernieuwing, kijken door de zelfbedruipende mainstream heen. Kunst staat niet stil, of het moet ondertussen erfgoed zijn.
En dat is niet steeds publieksvriendelijk. Klopt, maar, zoals elke wetenschapper weet, groeien uit de innovatie producten die courant worden, die algemeen gebruikt en gesmaakt worden. En dan gaan bijdragen aan de economie. Zo zullen vernieuwende kunstvormen wellicht minder rechtstreeks bijkomende middelen genereren, maar wel bijdragen tot een florerend kunstenlandschap in de toekomst. Kunstsubsidie is dus in belangrijke mate subsidie voor innovatie.