Subsidieer de kunsten, maar dan anders: via het publiek

06/04/11, 08u46

Paul De Grauwe, economieprofessor aan de KU Leuven, legt uit waarom hij het huidige subsidiesysteem paternalistisch vindt. Hij vindt dat bezoekers van culturele organisaties meer macht moeten krijgen

De kunstensector staat voor een nieuwe subsidieronde. Die zal bepalen hoeveel de festivals, muziekensembles, theaters en andere kunstenhuizen aan structurele subsidies zullen krijgen voor de periode 2013-2016. Tijd om zich fundamentele vragen te stellen over het waarom en het hoe van de subsidies aan deze kunstvormen.

Waarom moeten de kunsten gesubsidieerd worden? Er bestaan goede en minder goede argumenten voor subsidies. Eerst de minder goede. In een studie die eergisteren verscheen worden cijfers weergegeven waaruit blijkt dat één euro subsidie aan de kunstensector leidt tot één euro aan extra inkomsten (door kaartenverkoop, sponsoring enz.) in die sector. Er is dus een hefboomeffect van die ene euro subsidie. Dankzij die subsidie kunnen de culturele organisaties extra inkomsten genereren uit hun economische activiteiten.

Bovendien, zo blijkt uit die studie, dat die ene euro voor meer dan één euro aan personeelsuitgaven leidt. Goed nieuws dus: geef ons een euro, en wij multipliceren deze euro verder, zoals Jezus de broden vermenigvuldigde.

Het probleem met deze analyse is dat dezelfde berekeningen gemaakt kunnen worden voor elke subsidie die de overheid verleent. Als een bedrijf subsidies krijgt dan kun je voor dat bedrijf ook zo een hefboomeffect berekenen. Je neemt het aandeel van de subsidie in de totale inkomsten van het bedrijf. Stel dat dit 50 procent is, dan zeg je dat, hocus pocus, één euro subsidie het mogelijk gemaakt heeft om één extra euro aan inkomsten te genereren. Is dat aandeel slechts 10 procent dan besluit je dat het hefboomeffect 9 is: één euro subsidie laat toe 9 euro's aan extra inkomsten te genereren. Hoe minder de overheid geeft aan één organisatie des te hoger is het hefboomeffect.

Het hefboomeffect is dus geen goede rechtvaardiging van subsidies. Als het dat wel was dan zouden we de subsidies aan de traditionele theatergezelschappen moeten verminderen want die subsidies vertegenwoordigen ongeveer 70 procent van al hun inkomsten. Lage hefboom; weg met de subsidies.

Er zijn betere argumenten voor subsidies aan de kunsten. Die hebben te maken met het collectief karakter van de kunsten. Met 'collectief' bedoel ik hier dat de hele gemeenschap van die kunst geniet, en niet alleen het publiek dat die kunst 'consumeert'. Concreet: als aangetoond kan worden dat niet alleen de bezoekers van het theater of de tentoonstelling genieten van deze kunstvormen, maar ook diegenen die nooit naar een theater of tentoonstelling gaan, dan hebben we een stevig argument om die kunstvormen te subsidiëren. Als dat niet het geval is dan is het argument voor subsidies zwak. Want in dat geval vragen de genieters van die kunstvorm aan diegenen die er niets voor voelen om mee te betalen voor de preferenties van de eerste groep.

Het collectieve karakter van de kunsten uit zich op verschillende wijzen. Kunst kan leiden tot nieuwe esthetische en emotionele ervaringen die uitgedragen worden buiten de kunsttempels en die de maatschappij verrijken. Vermits zoiets niet gemakkelijk meetbaar is (maar daarom niet minder reëel is), zal het bijzonder moeilijk zijn om het collectief karakter van de kunsten te operationaliseren. Dat is nochtans noodzakelijk om te beslissen hoeveel subsidies naar de kunsten moeten vloeien.

De kunsten moeten dus gesubsidieerd worden. Hoe moeten we dat dan doen? Vlaanderen heeft sinds lang een model van subsidiëring gekozen dat volgens mij niet deugt. Het model werkt als volgt. Beoordelingscommissies bepalen in functie van allerlei criteria welke culturele organisaties goed artistiek werk leveren en dus subsidies verdienen. De minister neemt die beoordeling dan over (of doet dat soms niet) en beslist dan over hoeveel subsidies elke organisatie zal kunnen beschikken.

Er zijn veel problemen met dit top-down model. Het belangrijkste is, volgens mij, het volgende. De beoordelingscommissies bestaan uit een hele kleine groep mensen. De meesten zijn specialisten met een eigen uitgesproken, of minder uitgesproken, kijk op wat goede kunst is. De culturele organisaties weten dit en passen hun kunstenaanbod aan aan de preferenties van die hele kleine groep deskundigen. Het gevolg is dat kunstensector, en vooral de podiumkunsten, zichzelf maatschappelijk marginaliseert. Wat aangeboden wordt weerspiegelt specialistische preferenties van een kleine groep mensen. Het brede publiek, voor wie de subsidies uiteindelijk bedoeld zijn, heeft hier heel weinig aan. Dat publiek heeft al lang de theaters en andere kunsthuizen de rug toegekeerd.

Kan het anders? Ja. Een bottom-up model van subsidiëren is mogelijk. Dat bestaat erin veel meer macht te geven aan het publiek dat de theaters, de kunstencentra, de musea en de andere culturele organisaties bezoekt. Zo een effect verkrijg je door de subsidiëring veel meer dan vandaag het geval is afhankelijk te maken van het aantal bezoekers dat een kunstenhuis aantrekt.

Toen ik dat voorstel twintig jaar geleden lanceerde was de reactie in de kunstensector er een van afschuw. De kunsten zullen verloederen als we meer macht geven aan het publiek. Dat is niet in staat om goede kunst te ontdekken, zo werd mij verweten. Die paternalistische reactie heb je nog altijd in de kunstensector. Ze getuigt van een misprijzen voor de grote groep mensen die van kunst en cultuur houden, en die wel in staat zijn om goede kunst te ontdekken en te steunen. Een bottom-up model van subsidiëren geeft dus vertrouwen aan het publiek. Het is ook een model dat een betere garantie biedt voor creativiteit in de kunsten dan een top-down model dat dit vertrouwen schenkt aan een kleine groep specialisten.
mailIcon print | Meer bookmarks |

Jouw gedachte?

De beste gedachten verschijnen in de krant