28/03/11, 06u52
Thomas Leysen wijst op de tekortkomingen van ons politiek en sociaal model. Leysen is ondernemer, hij nam vorige week afscheid als voorzitter van het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO). Hij blikt terug op drie jaar voorzitterschap van het VBO en evalueert de huidige politieke situatie.
Drie jaar voorzitterschap van het VBO geeft aan een ondernemer een bevoorrecht inzicht in het functioneren van ons politiek bestel. Wat ik er vooral van onthoud, is de moeilijkheid van de besluitvorming op politiek gebied. In het politieke en maatschappelijke debat is de verleiding groot om naar radicale maar simplistische oplossingen te grijpen of om oppervlakkige remedies voor te stellen. Eerlijk gezegd, het 'we moeten alleen maar'-syndroom ligt soms ook bij de bedrijfsleiders op de loer.
In die context moet de politicus, de vakbondsleider, de voorzitter van een werkgeversorganisatie dan ook keuze maken tussen het afleggen van forse verklaringen die de achterban plezieren, maar die de zaken nauwelijks vooruit helpen, of de moeilijkere weg van het uitwerken van realistische oplossingen met oog voor de lange termijn.
De moeilijkheid om, in een democratische samenleving, de beleidskeuzes naar de lange termijn en naar duurzame oplossingen te sturen, is niets nieuws. Toch heb ik de indruk dat deze problematiek de jongste jaren door verscheidene nieuwe ontwikkelingen groter is geworden.
Vooreerst is er de fragmentatie en de toenemende instabiliteit van de kiezers. Overal in Europa duiken nieuwe partijen op, vaak opgebouwd rond een enkel thema of rond een enkele persoon. Tegelijkertijd wordt het electoraat steeds onstandvastiger. Bij ons, waar nu zes tot negen partijen het eens moeten raken om een regering te kunnen vormen, is het geval natuurlijk bijzonder acuut.
OnverzettelijkheidDie toestand wordt nog ingewikkelder gemaakt door de toenemende cultuur van de onverzettelijkheid. Onder de reële of gepercipieerde druk van de volgende verkiezingsdag, die steevast dichtbij ligt, is er een steeds groter wordende terughoudendheid van de verkozenen om de compromissen te sluiten die vereist zijn om de instellingen te laten functioneren en om een langetermijnbeleid in het algemeen belang ten uitvoer te leggen. Bovendien versterkt het feit dat de media zelden hoog oplopen met genuanceerde standpunten een louter electorale en op de korte termijn gerichte logica. De combinatie van politieke fragmentatie en van onverzettelijkheid leidt onvermijdelijk tot blokkering en immobilisme - en vandaar tot welvaartsverlies.
Dat onderwerp zou dus een integraal en essentieel onderdeel moeten vormen van ons huidig debat over de staatshervorming. Onze komende hervorming zal natuurlijk wel een herziening van de financieringswet moeten inhouden waarmee het noodzakelijke nieuwe evenwicht tussen solidariteit en verantwoordelijkheid wordt gevonden. Ze zal zeker wel een reeks verantwoordelijkheden moeten verschuiven, in het bijzonder voor het arbeidsmarktbeleid. En ze zal inderdaad een oplossing voor het BHV-probleem moeten vinden.
Maar het lijkt mij minstens even noodzakelijk dat samenvallende verkiezingen voor het gewestelijke en het federale niveau worden ingevoerd om verkiezingen die te dicht op elkaar volgen te vermijden. Men zal ook het debat over het verhogen van de kiesdrempel moet durven aangaan om de politieke versnippering tegen te gaan. Ook de invoering van een federale kieskring lijkt mij belangrijk. Enkel dan kunnen we hopen op een beter functionerende democratie in een hervormd land.
Fragmentatie en een cultuur van onverzettelijkheid zijn trends die niet alleen de goede werking van onze democratische instellingen hinderen. Ook als sociale partners worden we ermee geconfronteerd. Ons rijk geschakeerd werkgeverslandschap wordt ook gekenmerkt door een grote fragmentatie, met organisaties op federaal, regionaal en sectoraal niveau, met specifieke organisaties voor de zelfstandigen en kleine ondernemingen en daarbovenop een reeks aparte denktanks. Dat levert een rijkdom aan invalshoeken op, en we hebben de laatste jaren op een respectvolle wijze goed samengewerkt - maar de vraag blijft of dat voor de ondernemingen op termijn het meest efficiënte en slagkrachtige model is. Voor mijn part blijf ik alvast dromen van een model waarin bedrijven door een enkel lidmaatschap aangesloten zijn bij zowel een sectorale, regionale als federale of mogelijkerwijze confederale organisatie, waarin die organisaties een onderlinge organische band met elkaar hebben, en waarin de expertise gebundeld veeleer dan gedupliceerd wordt.
Sociaal overlegmodelDe cultuur van onverzettelijkheid vormt ook een bedreiging voor ons sociaal overlegmodel. Wanneer onderhandelaars uit de groep van tien niet meer het vertrouwen krijgen van hun achterban, omdat die meent dat een akkoord slechts aanvaardbaar is als er alleen maar verkregen wordt en dat elke toegeving onbespreekbaar is, dan stevenen we af op het einde van dat model.
Ik bewaar goede herinneringen aan de inzet van alle onderhandelaars die samen het laatste IPA-ontwerp tot stand konden brengen. De interne politieke spelletjes en de kortzichtigheid van degenen die het daarna afschoten, waren voor mij echter een diepe teleurstelling. Als er geen kentering komt in deze geestesgesteldheid zullen we de verdere noodzakelijke hervormingen niet meer als sociale partners mee kunnen bepalen. Dan rest er ons alleen maar af te wachten tot er (in het beste geval) een moedige regering optreedt, of anders totdat Europa of de financiële markten er ons toe dwingen. Ik geloof niet dat dat de meest verstandige handelwijze zou zijn. Ik roep de werkgevers en werknemers dan ook op om, na de nodige afkoelingsperiode, de draad weer op te pikken en de fundamentele hervormingen die wij nodig hebben mee vorm te geven.