De index: géén symbool, géén fetisj

04/03/11, 06u38

De Gentse econoom Koen Schoors verzocht de vakbonden, die vandaag betogen, de symbolenstrijd te staken en zich te concentreren op het sluiten van akkoorden. Rudy De Leeuw, voorzitter van de socialistische vakbond ABVV antwoordt.

  •  Er moet dringend werk worden gemaakt van een moderne transparante prijzencontrole, in eerste instantie op de energieprijzen. Nederland geeft het goede voorbeeld  
De automatische indexering van de lonen is geen symbool, geen fetisj, geen vakbondsdogma, maar een noodzaak om koopkracht en sociale rust te vrijwaren. Het Belgisch systeem is een goed systeem. Het is onjuist dat de vakbonden de automatische koppeling van de lonen aan de index als een fetisj zien die ze zonder enig economisch of sociaal argument absoluut willen behouden.

Natuurlijk is onze eerste zorg het behoud van de koopkracht van alle werknemers, ongeacht hun situatie: in een grote of kleine onderneming, in een sterke of zwakke sector, actieven en niet-actieven. Maar de index heeft ook positieve macro-economische gevolgen. De huidige belagers van ons indexeringssysteem zijn vergeten dat dit stelsel, samen met de sociale zekerheid, de binnenlandse vraag in België ondersteunde zodat de economische activiteit en de werkgelegenheid beter dan in andere landen standhield.

Er zijn nog pluspunten. De automatische loonindexering doet de frequentie van loononderhandelingen afnemen. De onzekere inflatiecomponent vormt bij loononderhandelingen geen item meer waarover moet worden gediscussieerd. Dit vereenvoudigt het loonoverleg dat zich kan toespitsten op reële loonsverhogingen in functie van onder meer de productiviteitsverhoging.

Ondernemingen weten anderzijds dat de lonen slechts aangepast zullen worden aan de inflatie naarmate de prijzen effectief stijgen. Dit geeft een element van zekerheid voor de ondernemingen, die hun kostenstijging kunnen plannen, en verhindert dat vakbonden de inflatieverwachtingen voor de toekomst reeds op het moment van de onderhandeling vergoed willen zien. Ook het risico van 'overshooting' (hogere inflatieverwachting dan effectieve inflatie) vervalt en als de index niet constant aangevallen wordt, biedt het ook een waarborg voor sociale rust.

De indexering van de overheidswedden en sociale uitkeringen zijn bij wet geregeld maar in de private sector zijn het de sociale partners die in de verschillende paritaire comités overeenkomen hoe ze de indexering van de lonen praktisch organiseren. Dat betekent dat de sectoren verschillende systemen gebruiken om de lonen aan de index te koppelen. Bepaalde sectoren gebruiken vaste data waarop de lonen aangepast worden aan de gezondheidsindex. Zo zijn er sectoren die jaarlijks hun index aanpassen, andere doen dit zesmaandelijks of opteren voor andere termijnen. Op die manier wordt de doorsijpeling van de inflatie naar de reële economie ook al afgevlakt.

Geen wonder dat we deze week steun kregen van de Eurocommissaris voor Economische en Monetaire Zaken, Olli Rehn, die het Belgische systeem van loonindexering aanprees. Ons "verstandig ontworpen" systeem verschilt volgens Rehn aanzienlijk van indexsystemen die schadelijk zijn voor het concurrentievermogen. België is inderdaad niet het enige land in Europa dat nog een automatische loonindexering kent. Naast Luxemburg zijn er nog andere lidstaten die beperkte vormen van indexering via collectieve akkoorden hebben (onder meer Spanje, Finland en de minimumlonen in Frankrijk). Maar uiteraard wordt in alle landen van de EU - ook in die zonder indexering - op de één of andere manier met de inflatie rekening gehouden bij de loonvorming.

We zijn ook niet blind voor de versnellende inflatie. De jaarinflatie bedraagt deze maand een sedert jaren nooit geziene 3,4 procent, tegen 1,9 procent in Duitsland, 2 procent in Frankrijk en 1,8 procent in Nederland! Het is onaanvaardbaar dat sommigen als voornaamste antwoord op dat inflatieverschil de indexering willen herzien. Dit is het zoveelste verhaal van onwil om aan de bron van het kwaad te raken en dan de lonen maar als aanpassingsvariabele te gebruiken.

Alle pistes die op tafel gelegd worden zijn voor ons onbespreekbaar. Sommigen pleiten voor een centenindex en mengen bescherming van koopkracht met inkomensherverdeling. Ze vergeten er bij te zeggen dat dit zou neerkomen op een verarming van de middenklasse omdat zo'n centenindex op een laag niveau zou gelegd worden (forfait gelijk aan index minimumloon?).

Anderen bepleiten een netto-index en verzwijgen dat dit de overheid en de sociale zekerheid in de rode cijfers doet duiken. Beide ontberen dan immers de verhoogde inkomsten van de bruto indexering (belastingen en bijdragen) maar hebben wel meer uitgaven (indexering lonen en uitkeringen). Sommigen willen alle energieproducten uit de index halen en vergeten dat er sinds de invoering van de 'gezondheidsindex' (zonder brandstof, tabak en alcohol) al geen volledige bescherming van de koopkracht meer is. Bovendien zou dit in sterkere mate de zwakste inkomens treffen die al een groter deel van hun budget aan energiekosten moeten besteden.

Wat stellen we voor om ervoor te zorgen dat de oplopende inflatieverschillen met de buurlanden en de landen waarmee we concurreren een halt wordt toegeroepen, en opdat de koopkracht van de mensen niet verder zou worden uitgehold? Er moet dringend werk worden gemaakt van een moderne transparante prijzencontrole, in eerste instantie op de energieprijzen. Nederland geeft het goede voorbeeld. Energieleveranciers zouden een prijsverhoging van elektriciteit en gas ter goedkeuring moeten voorleggen aan de nationale energieregulator, de Creg, die de opportuniteit van de prijsaanpassing moet nagaan en zo nodig een begrenzing zou kunnen opleggen.

In Nederland kennen de energieprijzen voor de kleine consument slechts tweemaal per jaar een aanpassing, terwijl dit in België maandelijks het geval is, wat prijsverhoging in de hand werkt. De Nederlandse regulator heeft becijferd dat hun systeem de Nederlandse consumenten jaarlijks een voordeel van minstens 250 miljoen euro oplevert.

Dat de energieprijsinflatie in België zo hoog ligt, heeft veel te maken met de maandelijkse prijszetting van de energieleveranciers, aan de hand van parameters die sedert de vrijmaking van de energiemarkt niet langer de reële productiekost weergeven. Het signaal van Agoria om de brandstofparameter onmiddellijk te blokkeren op het niveau van twaalf maanden geleden is wel een hoopvol signaal en staat in schril contrast met het stilzwijgen van het VBO op dit vlak.

Naast de prijszetting op zich speelt ook het hoge energieverbruik in ons land een rol in de verklaring van de hoge inflatie. Nergens in Europa zijn de residentiële gebouwen zo slecht geïsoleerd als in ons land en wordt er nog zoveel met stookolie verwarmd. Bovendien is de Belgische industrie meer energie-intensief dan die in de buurlanden. Aanmoediging van rationeler energieverbruik moet een echte prioriteit worden. Nergens in Europa is het gebruik van bedrijfswagens meer ingeburgerd als looncomponent dan in België. Ook dat moet in vraag gesteld worden.

Ook de prijsevolutie van onbewerkte en bewerkte levensmiddelen is in België al maanden niet langer in lijn met het buitenland. Dat aanpakken vergt meer moed dan een zoveelste aanval op de index. De indexatie moet niet uitgehold worden, we moeten integendeel de gaten die nog steeds bestaan in de bescherming van de koopkracht van de werknemers dichten. In de eerste plaats moeten we het indexeringsmechanisme dringend invoeren in die paritaire comités die er nog geen hebben.

'Handen af van onze index' is geen holle slogan, maar een terechte verzuchting voor het behoud van de koopkracht.
mailIcon print | Meer bookmarks |
Aan het laden...

Jouw gedachte?

De beste gedachten verschijnen in de krant

Aan het laden...
<spring:message code='commonMessages.loading' />