24/08/10 06u42
Jongeren moeten bewust worden gemaakt van de risico's die zij lopen op internet. De bedrijven en de overheid kunnen daarbij niet langer hun verantwoordelijkheid ontlopen. Jo Pierson is docent verbonden aan het onderzoekscentrum Studies on Media, Information and Telecommunication van de VUB.
-
Wordt privacy enkel toegankelijk voor wie de kennis en middelen heeft om een doeltreffend rookgordijn op te hangen rondom de eigen online en offline privéwereld?
De uitspraken van Google CEO Eric Schmidt (DM 19/8) zijn op zijn minst opmerkelijk te noemen: voor het eerst in zijn bestaan erkent Google dat online privacy problematisch kan zijn en reflectie behoeft. Als (under)statement van een bedrijf dat goochelt met onze privégegevens en er rijk van wordt, kan dat tellen.
We weten al langer dat het media- en internetlandschap grondige veranderingen ondergaat op vlak van digitalisering en convergentie. Men onderscheidt naast massamedia (zoals televisie, radio en kranten) en persoonlijke media (zoals post, telefoon en sms), nu ook steeds meer uitingen van 'massazelfcommunicatie'. Burgers en consumenten publiceren in grote getale zichzelf, gaande van hun diepste zielenroersels tot het delen van bruikbare kennis en ervaringen. Ze bepalen ook hoe die informatie wordt rondgestuurd en beogen hierbij een bepaald doelpubliek. Het meest in het oog springend zijn natuurlijk sociaalnetwerksites als Facebook, Netlog of Twitter. Dat met dit alles privacy issues gepaard gaan, bleek tot voor kort enkel juristen en sociale wetenschappers te beroeren. Veel socialemediabedrijven beweerden immers dat het probleem niet bij de technologische mogelijkheden zelf ligt maar, uiteraard, hoe kan het ook anders, bij het publiek dat zelf zal moeten leren omgaan met een nieuwe invulling van privacy.
Dat Google nu plots een ander geluid laat horen en daardoor het debat vanuit industriekant misschien heroriënteert, is nieuw.
Men mag zich verheugen dat het debat vanuit industriekant, en nog wel door een van de belangrijkste spelers, in een andere richting gestuurd wordt. Zeker als men ziet wat voor inspanningen en investeringen er worden gedaan om zoveel mogelijk privé-informatie naar boven te halen en, indien mogelijk, publiek te verhandelen. Maar er bestaat ook een hele innovatie-industrie die erop gericht is om impliciete persoonlijke data aan de oppervlakte te brengen, onder andere om internetreclame af te stemmen op het persoonlijke surfgedrag. Mr. Schmidt heeft dus gelijk: "Onze maatschappij beseft niet wat het betekent als op het internet altijd alles beschikbaar, bekend en geregistreerd is".
De technologie om impliciete informatie naar boven te halen en voor commerciële (of andere misschien meer betwistbare) doeleinden in te zetten, evolueert razendsnel, maar evolueert ook ons eigen bewustzijn over wat er aan de hand is zo snel? Drie elementen kunnen in de huidige context van massazelfcommunicatie van belang zijn: bewustzijn over de geschiktheid omtrent wat we online doen en publiceren (1), bewustzijn over de flows van informatie van de ene levenssfeer naar de andere (2) en het bewustzijn dat wat onschadelijk is vandaag dit in de toekomst wel eens anders zou kunnen zijn (3). Vooral wat dit laatste betreft moeten tieners alert gemaakt worden. Maar zeker zij niet alleen. De drie elementen houden verband met het belang van de context waarin de communicatie of informatie-uitwisseling gebeurt en de rol die de communicator daarin heeft.
Ten eerste is het belangrijk zich af te vragen welk soort van informatie uit de persoonlijke levenssfeer geschikt of liever ongeschikt is om onthuld te worden in een andere levenssfeer. Want, en dit is het tweede bewustzijnsniveau, informatie kan technologisch steeds makkelijker van de ene levenssfeer naar de andere worden doorgesluisd, zeg maar van thuis naar het werk. Ten derde dien je in te schatten of informatie die vandaag onschadelijk lijkt in een nabije of verre toekomst mogelijks wel schadelijk wordt. Ons eigen geheugen kan dan wel kort zijn, onze digitale 'footprint' lijkt duurzamer dan onze samenleving.
VerantwoordelijkheidDe toenemende complexiteit van het onlineprivacygebeuren en de expliciete en impliciete technieken voor het hergebruik van persoonlijke data, maken het soms moeilijk om een volledig zicht te hebben op de (toekomstige) gevolgen van huidig online gedrag. Op die manier riskeren we in een situatie terecht te komen waarbij privacy een luxegoed wordt, enkel toegankelijk voor zij die de kennis en middelen hebben een doeltreffend rookgordijn op te hangen. Het vermijden van zo'n privacykloof is een belangrijke opdracht voor de overheid. Ook zij dient zich te mengen in het debat door enerzijds gebruikers alert te maken maar ook om bedrijven zelf op hun verantwoordelijkheid te wijzen.
Want de bedrijven moeten wel degelijk hun maatschappelijke verantwoordelijkheid opnemen. De uitspraak van Google kan in dit verband als hoopgevend gezien worden, ongeacht het feit of ze oprecht bedoeld is dan wel een onderdeel is van een marketinggeïnspireerde positionering als de 'goeden' versus de 'slechten'. Wanneer evenwel de enige suggestie van Google-CEO Schmidt zou zijn dat tieners binnen tien jaar hun naam moeten veranderen, om geen negatieve gevolgen te ervaren van hun huidig sociale media gebruik, dan moet een maatschappij zich toch degelijk vragen stellen.