27/06/10 09u41
Na de huivering- wekkende hybris in de Golf van Mexico is het hoog tijd voor catharsis, betoogt Van den Abeele. Filip Van den Abeele is pijplijningenieur en samen met Lieven Scheire auteur van het boek Wat als de olie op is? (Borgerhoff & Lamberigts).
-
De besmeurde vogels vormen een zinnebeeld voor de val van Icarus
Op 3 juni 1979 brak brand uit op een boorplatform in de Golf van Mexico. Het platform zonk, en omdat de blowout preventer (BOP) de beschadigde buis op de zeebodem niet correct kon afsluiten, begon de Ixtoc-bron ongecontroleerd olie te lekken in de oceaan. Pemex, de nationale oliemaatschappij van Mexico, trachtte het lek aanvankelijk te dichten door een reusachtige sombrero over de BOP te plaatsen. Toen die aanpak faalde, werden grote hoeveelheden zware modder en loden ballen in de bron gedumpt in een poging de stuwdruk van het reservoir te reduceren. De olie, die met een debiet van 30.000 vaten per dag in zee stroomde, werd genivelleerd met behulp van gecontesteerde chemicaliën als Corexit. Dikke olietapijten op de waterspiegel werden verbrand om te vermijden dat het kleverige goedje de kusten zou bereiken. Uiteindelijk raakte het lek pas 290 dagen later gedicht, door het boren van twee relief wells. Gedurende bijna tien maanden lekten in totaal ruim drie miljoen vaten, in wat - tot nader order - de grootste olieramp uit de geschiedenis is.
De echo van de Ixtoc klinkt dezer dagen steeds luider. Reeds zesenzestig dagen lang tracht BP vruchteloos de lekkende bron in de Golf van Mexico te dichten, en de totale vervuiling wordt inmiddels op een half miljard liter ruwe olie geraamd. En hoewel de aanpak van BP en Pemex tot op grote hoogte gelijk lijkt te lopen, schuilt het grootste verschil vooral in de diepte. In 1979 boorde men in 50 meter waterdiepte, terwijl het huidige lek zich anderhalve kilometer onder de zeespiegel bevindt. Het toont de hoge vlucht die de offshore-industrie de voorbije decennia heeft genomen, als antwoord op de nauwelijks te laven dorst naar olie van mens en maatschappij. Maar terwijl de technieken om olie- en gasvelden te ontdekken en te ontginnen steeds verder werden ontwikkeld, bleef de technologische kennis om de navenante risico's te beheersen achterwege. Voorzorg en veiligheid ijlen na op dadendrang.
Foto's van begin vorige eeuw tonen de pioniers van het olietijdperk, die met hun jongensachtige branie voor het eerst oliebronnen aanboren buiten het bereik van de kust. Gedreven door een bandeloos geloof in eigen kunnen en gedragen door de tijdsgeest, heeft de offshore-industrie telkenmale opnieuw haar grenzen verlegd. Toen het Amerikaanse concern Chevron voor het eerst olie ontgon op tweeduizend meter diepte, gebeurde dat ook in de Golf van Mexico, en vanop het productieplatform 'Blind Faith'. Die naam is kenschetsend voor de hoogmoed die heerst wanneer geestdrift en goudkoorts elkaar treffen. In die zin vormen de met olie besmeurde pelikanen een zinnebeeld voor de val van Icarus, en hun verendek een tastbare allegorie voor de gevolgen van roekeloos gedrag.
Ik wens het proces van BP niet te voeren, maar stel vast dat zij hun reservoir zelf een woest dier ('one hell of a well, like a raging subsea beast') hebben genoemd. Wie weet dat hij een agressieve hond heeft, kan het risico op bijtwonden beperken door het dier achtereenvolgens te muilkorven, aan een leiband te leggen en in een kooi te stoppen, om daarna een grendel en een hangslot aan de deur te hangen. Uit de hoorzittingen van de Amerikaanse commissie, belast met het onderzoek naar de oorzaken van de olieramp, blijkt dat de deur openstond en het dier geen muilkorf droeg. Bovendien had BP nagelaten de sterkte van de ketting te testen, met als argument: "Wees gerust, hij zal niet bijten..."
De op handen zijnde ramp is voor iedere ingenieur en manager in de olie-industrie een onzacht ontwaken. Christopher Brownfield liet in The New York Times een explosief ballonnetje op (Blaas de oliebron op, DM 25/6), maar blijkbaar heeft niemand anders een pasklaar antwoord voorhanden om het lek op korte termijn te dichten. De vraag stelt zich dan ook in hoeverre men zich, bij ontstentenis van doeltreffende oplossingen, mag mandateren om in steeds grotere waterdieptes bronnen aan te boren. Steeds meer stemmen gaan op om de veiligheidsvoorschriften bij overzeese boringen te verstrengen. Ook binnen de microkosmos van de boorplatformen wordt de lakse en soms laconieke bedrijfscultuur aan de kaak gesteld. Met de beelden van zieltogende zeevogels voor ogen, zou het niet zindelijk zijn zulke klokkenluiders nestbevuiling te verwijten. Wie nu nog de ogen sluit, bezondigt zich aan schuldig verzuim. Niet enkel de kusten hebben nood aan reiniging. Bedrijven als Shell, BP, ExxonMobil en Total geven gestalte aan een lerende industrie, die met vallen en opstaan vooruitgang boekt. Incidenten en accidenten dienen gedocumenteerd; ervaringen en best practices worden met elkaar gedeeld.
De huidige catastrofe kan fungeren als katalysator om tot zelfreflectie te komen. Het is zonneklaar dat de vraag naar energie in het algemeen, en aardolie in het bijzonder, de komende jaren zal blijven stijgen. Bovendien raken de brave bronnen uitgeput, en liggen de nog aan te boren reservoirs in onherbergzame gebieden. Heeft de industrie de flexibiliteit om dit spagaat op lange termijn vol te houden? Kan zij op een veilige, duurzame en milieuvriendelijke manier onze noden blijven dekken? Na de huiveringwekkende hybris is het hoog tijd voor catharsis. Niet door middel van louter vage voornemens, maar belichaamd door de dadendrang die deze industrie heeft groot gemaakt. Nu, nuchter en naakt. Want gecontamineerde stranden kan niemand met de mantel der liefde bedekken.