21/06/10 07u39
Vijf fundamentele zaken waarover de nieuwe regering zich zal moeten bezinnen volgens Pieter Timmermans, directeur-generaal van het VBO.
-
Zou ons land er niet beter aan doen om zich duidelijke doelstellingen op lange termijn te stellen en op korte termijn iets vager te zijn?
Ons land zal de komende jaren niet anders kunnen dan fundamentele beleidskeuzes te maken. Alleen al de omvangrijke sanering van de openbare financiën dwingt ons tot het maken van keuzes en het vastleggen van prioriteiten. Het gaat in eerste instantie niet om de maatregelen, maar wel om de grote oriëntaties die gedurende een relatief lange tijd het beleid bepalen, en die de toetsstenen zijn voor de concrete dagelijkse beleidsbeslissingen. Naar onze mening dringen er zich een vijftal strategische beleidskeuzes op.
1. Men kan geen twee heren tegelijkertijd dienenHet beleid in de voorbije decennia heeft aangetoond dat dit oude gezegde zeer veel waarheid in zich draagt. Het heeft een tijdje geduurd, maar intussen groeit er consensus dat de tijdens het Generatiepact verstrengde toegang tot het brugpensioen grotendeels is tenietgedaan door het tijdskrediet. De voordeur dicht, maar de achterdeur wagenwijd open. Resultaat: er zijn momenteel meer 50-plussers in tijdskrediet dan jonge moeders of vaders waarvoor dit onthaastingssysteem in het kader van het afstemmen van arbeids- en gezinsleven destijds was uitgedacht.
Hetzelfde dreigt te gebeuren in het debat over de vergroening van de fiscaliteit. Deze laatste moet als doel hebben het gedrag van de actoren die door de groene belasting worden getroffen ten goede te doen veranderen (anders is het immers een pure begrotingsmaatregel). Indien deze belasting zich echter via de automatische loonindexering vertaalt in een hoger loon, dan vervalt natuurlijk de incentive om zijn gedrag te wijzigen.
De zopas geciteerde voorbeelden illustreren ook dat, wegens de benarde toestand van de openbare financiën en de lagere potentiële economische groei, rijkdom scheppen en 'tegelijkertijd' verdelen moeilijker en moeilijker te verzoenen is. In de huidige omstandigheden moeten we er eerst voor zorgen dat de economic fundamentals op orde staan vooraleer we de fase van social progress inzetten.
2. Duidelijk op korte termijn en vaag op lange termijn: neen, liever omgekeerdEen andere belangrijke les die we uit het verleden kunnen trekken, is de vaststelling dat heel wat positieve maatregelen heel precies zijn met een duidelijke (vaak onderschatte financiële) impact op zeer korte termijn (bijvoorbeeld een verhoging van de laagste pensioenen met x-aantal procent op een afgesproken datum), terwijl de langetermijnstrategie om dergelijke maatregelen betaalbaar te houden vaag en wollig is (bijvoorbeeld meer mensen moeten aangemoedigd worden om langer aan de slag te blijven om de pensioenen betaalbaar te houden).
De vraag kan dus worden gesteld of ons land er niet beter aan zou doen om zich duidelijke langetermijndoelstellingen te stellen (bijvoorbeeld de tewerkstellingsgraad moet met x-aantal procent verhogen vooraleer de sociale uitkeringen kunnen stijgen) en op korte termijn iets vager te zijn, zodat men en cours de route gemakkelijker kan bijsturen (bijvoorbeeld de welvaartsaanpassing van de uitkeringen kan dan gebeuren in functie van waar men het best de werkloosheidsval kan vermijden).
3. Geen stop & go-beleid maar een volgehouden beleidNefast voor welk beleid dan ook zijn onzekerheid en instabiliteit. Niemand wil opereren in een wereld waar men voortdurend het geweer van schouder verandert. Op sociaaleconomisch vlak is dit nog meer van toepassing. Twee voorbeelden om dit te illustreren.
Voor de notionele interestaftrek is het overduidelijk. Bij elke economische handelsmissie is het dé maatregel waarmee we ons land in het buitenland kunnen verkopen. En toch moeten we vaststellen dat vanaf zijn goedkeuring de maatregel systematisch in vraag werd gesteld, inclusief door politieke partijen die hem initieel mee hadden goedgekeurd. Dit creëert bij buitenlandse en binnenlandse investeerders argwaan, met alle gevolgen.
Ook het haasje-over-effect in de sociale zekerheid zorgt voor een suboptimaal beleid. Het verschil tussen een inkomen uit werken en uit niet-werken is veel te klein. De stimulans om een werkloosheidsuitkering in te ruilen voor een job is dus te klein. Via de werkbonus of een belastingvermindering voor de laagste lonen heeft men het netto-inkomen verhoogd en alzo het verschil met de werkloosheidsuitkering vergroot. Op zich een zinnige maatregel, ware het niet dat men een tijdje later opnieuw de werkloosheidsuitkeringen verhoogd heeft. Het resultaat is duidelijk: tweemaal een extra uitgave (namelijk belastingvermindering plus verhoogde werkloosheidsuitkeringen), waardoor op korte termijn het primair begrotingssaldo verder verslechterde, maar het positief effect op de werking van de arbeidsmarkt (namelijk werken significanter beter belonen dan niet-werken) werd geneutraliseerd.
4. Mentaliteiten wijzigen enkel via onbetwistbare regelsEen van de moeilijkste zaken is de mentaliteit van een medeburger, van een ondernemer, van een organisatie te wijzigen. Laat dat nu precies dé uitdaging zijn waarvoor ons land staat. Als er één regel te onthouden valt uit de recente sociaaleconomische geschiedenis is dat enkel duidelijke, niet voor interpretatie vatbare regels de houding van een actor kunnen doen veranderen.
Tijdens het Generatiepact werd even geopperd om alle (brug)pensioenleeftijden met één jaar op te schuiven. Wellicht was dit een veel effectievere maatregel geweest dan de 70 andere maatregelen samen, die vooral gestoeld waren op vrijwilligheid. In dit laatste geval krijg je immers onvermijdelijk het free rider-fenomeen: de andere zal zich wel moedig gedragen, het zal zijn tijd wel duren, de volgende generatie zal dit wel oplossen...
5. Doorbreek vicieuze cirkelsEen versterking van de fundamenten van ons sociaaleconomisch bestel kan maar lukken wanneer vicieuze neerwaartse spiralen omgekeerd worden. Een van de meest nefaste vicieuze cirkels van de voorbije decennia is de band tussen loonkosten en productiviteit.
Hoge loonkosten moeten door een hoge arbeidsproductiviteit gecompenseerd worden, indien ondernemingen hun concurrentiepositie op de internationale exportmarkten willen vrijwaren. Deze productiviteit kan op twee manieren worden verhoogd: door de technologische grens te verleggen en zo meer te doen met dezelfde mensen, en door op mensen te besparen en ze te vervangen door machines. Beide fenomenen zijn in het verleden zeer belangrijk geweest, maar het is toch vooral op het laatste dat we internationaal 'uitblinken'. Wij zijn immers het land met het grootst aantal machines per gewerkt uur, maar, jammer genoeg, ook met een van de laagste werkgelegenheidsgraden in de hele eurozone. De noodzaak om een continu hoog productiviteitsniveau te blijven boeken, leidt op zijn beurt weer tot een verhoging van het werkritme met een verhoogde stressgevoeligheid als bijwerking. Dit doet vakbonden het thema van de betere combinatie gezin-arbeid (een uitbreiding van allerlei verlofstelsels) op de onderhandelingstafel leggen, hetgeen op zijn beurt opnieuw tot gevolg heeft dat de productiviteit en het werkritme bij de overblijvende werknemers zal moeten worden verhoogd. De arbeidsorganisatie bij de ondernemingen wordt moeilijker, waardoor meer flexibiliteit vereist is, wat in België letterlijk afgekocht moet worden, waardoor de kosten voor de ondernemingen opnieuw toenemen.
En wat met het communautaire?In de huidige politieke situatie zullen sommigen opmerken dat er niets gezegd wordt over het communautaire. Of alles nu geregionaliseerd wordt, of alles opnieuw geherfederaliseerd wordt, de vraag naar de meest performante beleidsattitude blijft immers dezelfde. Als de strategische beleidskeuzes gemaakt zijn, komt vanzelfsprekend de vraag naar wie wat op welk beleidsniveau het best kan doen, met als bijkomende politieke vraag: in samenwerking met anderen of alleen. Zich bij de start van de regeringsformatie even bezinnen over bovenstaande strategische opstellingen is misschien niet zo onzinnig? Performant sociaaleconomisch beleid veronderstelt immers dat de kar niet voor het paard gespannen wordt.