18/06/10 10u23
Historicus Marnix Beyen ziet een unieke kans om de Belgische democratie te radicaliseren. Ondanks diepgewortelde argwaan tegenover alles wat naar nationalisme riekt, ziet Beyen redenen om na 13 juni de democratie te radicaliseren. Hij is verbonden aan de onderzoeksgroep politieke geschiedenis van de Universiteit Antwerpen en verblijft momenteel aan de Université Paris-X (Nanterre).
-
Hopelijk herinneren Di Rupo en De Wever zich dat ze varianten vertegenwoordigen van een emancipatiebeweging die de politieke macht geleidelijk aan heeft onttrokken aan een kleine elite
Na de verkiezingen van 13 juni lijkt het Belgische surrealisme voorgoed de politieke arena te zijn binnengedrongen. De kans is groot dat aan het roer van de federale regering een duo zal komen dat in een groteske strip niet zou misstaan. De ene helft van het olijke duo is de zichzelf wat verwaarlozende plebejer met familiale wortels in de collaboratie, die met zijn volle gewicht het gezond verstand van zijn volk belichaamt. De homo- en xenofobe trekken van dat gezonde verstand weet hij weliswaar vakkundig (en ongetwijfeld zelfs oprecht) te verbergen, maar zij laten nog voldoende sporen na om vertrouwen te wekken in de rechtse onderbuik van Vlaanderen. Zijn compagnon de route is een proletariër met een migratieverleden, die zich heeft opgewerkt tot een openlijk homoseksuele dandy. Deze stijlverschillen zijn uiteraard niet vrijblijvend, aangezien ze beantwoorden aan een fundamentele ideologische breuklijn. Een beter recept om het huidige politieke immobilisme in stand te houden lijkt nauwelijks denkbaar...
Het is dan ook opmerkelijk dat in de meeste commentaren opluchting en hoop de bovenhand halen. Verschillende commentatoren wezen erop dat deze uitslag tenminste het voordeel van de duidelijkheid heeft, en dat beide overwinnaars ambitieus genoeg zijn om een plaats in de geschiedenisboeken te beogen. Wat nog belangrijker is: zij beschikken over het politieke talent, de geloofwaardigheid en het gezag om deze droom ook effectief te realiseren. Niettemin zien de commentatoren zich tussen beide politici hooguit een verstandshuwelijk aftekenen, dat weliswaar zal volstaan voor de lang verwachte institutionele hervorming, maar waarvan voorts geen te hoge verwachtingen mogen worden gekoesterd.
Toch zie ik, ondanks mijn diepgewortelde argwaan tegenover alles wat naar nationalisme riekt, ook redenen om zelfs die scepsis te laten varen en de uitslag te interpreteren als een unieke uitdaging om de grondslag van de democratie te radicaliseren. In het kielzog van de Franse filosoof Claude Lefort benadrukken pleitbezorgers van de 'radicale democratie' immers dat in een democratisch systeem de stoel van de macht leeg moet blijven. Daarmee bedoelen zij dat een dergelijk systeem niet mag gebaseerd zijn op vooraf bepaalde ideeën, maar wel op een radicale openheid om in discussie te treden met de opvattingen van anderen. Als De Wever en Di Rupo hun plaats in de geschiedenisboeken willen verwerven, dan zullen zij zich inderdaad radicaal-democratisch moeten opstellen. Overigens liet De Wever in zijn persconferentie al meteen doorschemeren dat hij tot die keuze bereid is. Waar hij tevoren 'democratie' steevast definieerde als het recht van een volk om zijn eigen identiteit te ontplooien, benadrukte hij nu de erkenning van verschillen als basiskenmerk. Ook in de milde opstelling van Di Rupo kan men dit uitgangspunt herkennen, al speelt zijn ambitie om premier te worden ongetwijfeld ook een grote rol.
Indien Di Rupo en De Wever deze openheid effectief aan de dag zouden leggen, dan zouden zij aanknopen bij een mooie Belgische traditie. De Belgische natiestaat zelf is immers gebaseerd op een onwaarschijnlijk 'monsterverbond' dat in 1828 werd gesmeed tussen twee fundamenteel tegenstrijdige ideologische tradities - een katholieke en een liberale - die elkaar vonden in een gezamenlijke verdediging van de vrijheid. Uiteraard was de context waarin dit monsterverbond tot stand kwam radicaal anders dan die van de nakende coalitiebesprekingen. Het verlichte despotisme van Willem I vormde een gemeenschappelijke vijand, waartegen de modieuze notie 'vrijheid' makkelijk in stelling kon worden gebracht. Het huidige monsterverbond daarentegen is het resultaat van een democratisch proces waarin vooral wederzijdse vijandschappen de kans kregen zich te ontwikkelen.
Toch is het verschil misschien minder groot dan men zou denken. Ook Di Rupo en De Wever worden geconfronteerd met gemeenschappelijke vijanden, waartegenover zij een gemeenschappelijk goed kunnen koesteren. Als vijanden kunnen onder meer de vergrijzing maar veel meer nog de excessen van het hyperkapitalisme worden aangeduid, als het gemeenschappelijke goed de sociale welvaartsstaat. Hopelijk herinneren beide politici zich tijdens de onderhandelingen dat zij (weliswaar zeer verschillende) varianten vertegenwoordigen van een emancipatiebeweging die de politieke macht geleidelijk aan heeft onttrokken aan een kleine elite en voor een meer evenwichtige spreiding van de welvaart heeft gezorgd. Hopelijk zijn zij zich er voldoende van bewust dat de ongebreidelde kapitaalaccumulatie en speculatie de verwezenlijkingen van die beweging blijven bedreigen en dat de overheid een belangrijke rol heeft te vervullen in de strijd daartegen, onder meer door de regulering van de banksector. Dat die strijd alleen maar op een duurzame manier kan worden gevoerd indien de overheid haar eigen budget onder controle houdt en zich dus niet laat uitmelken door politiek cliëntelisme, is een besef dat De Wever zijn Waalse lotgenoot kan bijbrengen. Mede daardoor zou Di Rupo zijn Vlaamse tegenhanger ervan kunnen overtuigen dat voor het behoud van de welvaartsstaat de splitsing van de sociale zekerheid eerder een vloek dan een zegen zou zijn. Beide partijen zouden in dit proces een deel van hun eigenheid opgeven, maar juist daardoor een voortreffelijke oefening in radicale democratie bieden. En opnieuw zou een Belgisch monsterverbond een voorbeeld voor Europa kunnen stellen.