Ivan Van de Cloot, hoofdeconoom bij Itinera Institute, een onafhankelijke denktank voor duurzame economische groei en sociale bescherming, vindt lineaire besparingen zonder een visie op de rol van de openbare omroep 'een gemiste kans'.
Het besparingsplan van de VRT dreigt een gemiste kans te worden, schrijft econoom Ivan Van de Cloot. 'In plaats van hier en daar op budgetten te beknibbelen, zou men de moed moeten hebben om grondig te evalueren of alle uitgaven in functie staan van wat we als de maatschappelijke rol van de openbare omroep kunnen beschouwen'. Maar dan moet iemand die rol wél eerst eens duidelijk omschrijven, vindt hij.
Koken kost geld, dat weten we allemaal. En als er wat minder geld in kas is, dan moet elk gezin de tering naar de nering zetten. Dit geldt voor elk huishouden, dit geldt voor ieder bedrijf. Instellingen die afhankelijk zijn van overheidsfinanciering worden natuurlijk niet automatisch gewaar dat de middelen schaarser worden. Dat vraagt een politieke beslissing.
Nu is het zover: tegen eind 2011 moet de VRT 65 miljoen euro besparen in haar werkingsuitgaven. Op zich is het niet ongezond af en toe uitgaven in vraag te stellen en te bekijken of dezelfde doelstellingen niet bereikt kunnen worden met minder middelen. In private bedrijven gebeurt dat bijna continu, omdat daar de concurrentiekracht van het bedrijf direct verband houdt met de inkomsten. Net wegens de minder directe blootstelling aan marktfactoren zou kostenefficiëntie voor een openbare omroep een extra aandachtspunt moeten zijn. Wanneer veel huishoudens de touwtjes node aan elkaar geknoopt krijgen, is het niet meer dan correct te eisen dat de belastingmiddelen efficiënt worden ingezet.
Sensatie
Het zou echter een gemiste kans zijn als de oefening zich zou beperken tot het louter aanhalen van de broeksriem. Men zou immers de gelegenheid te baat kunnen nemen om niet zuiver lineair van allerlei budgetten wat af te knabbelen. Het zou geen taboe mogen zijn om vandaag te evalueren of alle uitgaven wel daadwerkelijk in functie staan van wat we als de maatschappelijke rol van de openbare omroep kunnen beschouwen. Daarbij moet ook werk gemaakt worden van goed bestuur, zonder te hervallen in de vaudeville van beheersovereenkomsten en geparachuteerde bazen bij de VRT uit het verleden.
De grote pleitbezorgers van de openbare omroep hebben altijd geargumenteerd dat een sterke publieke speler de "ecologie" van het hele televisielandschap gunstig kan beïnvloeden. Dat is de publieke omroep als middel tegen marktfalen. Een omroep ook die zich duidelijk onderscheidt van commerciële omroepen.
Maar VRT-critici werpen tegen dat de openbare omroep al te vaak meeloopt in het opbod van sensationele berichtgeving. In de realiteit gaat men aan de Reyerslaan uiteraard pragmatisch om met de programmakeuze, volgens de vaststelling dat de "hoogwaardige" programma's een beter bereik hebben als ze op dezelfde zender afgewisseld worden met meer populaire programma's (dit berust op zogenaamde kijkersinertia).
In televisieland bestaat er vaak grote onzekerheid of nieuwe producten (programma's) zullen aanslaan of niet: het zogenaamde nobody knows-principe. Om die onzekerheid te reduceren wordt naar 'formats' gezocht die een groot publiek aanspreken. Realityprogramma's zijn het bekendste voorbeeld. Je vindt ze op elke zender, wat de keuze van de kijker beperkt.
De openbare omroep kan in zo'n landschap een rol van betekenis spelen. Ze kan namelijk wél experimenteren met nieuwe kijkervaringen waarin niet van meet af aan duidelijk is of het zal aanslaan. De vrije markt garandeert immers niet per definitie dat het aanbod pluriform is. (Anderzijds is het ook niet zo dat commerciële aanbieders geen enkele prikkel hebben om nieuwe smaken te ontwikkelen bij de kijkers. Bepaalde commerciële zenders kunnen profijtelijk een reputatie opbouwen voor "kwaliteitsprogramma's". Bij de wetgever heeft er traditioneel vooral bezorgdheid gespeeld voor kleine doelgroepen.)
Het traditionele argument van marktfalen staat onder druk door de opkomst van de digitale televisie. Als kijker heb je nu veel meer controle over de programmatie, bijvoorbeeld over de timing van ontvangst. Daardoor boet de rol van de zender fors aan belang in. De beperking van het spectrum is nauwelijks nog relevant. Je zou kunnen zeggen dat een openbare omroep minder noodzakelijk wordt om pluralisme en diversiteit te promoten.
Maar zo eenduidig is het niet: onderzoek heeft aangetoond dat commerciële zenders die leven van adverteerders imitatiegedrag en duplicatie vertonen. Een extra aan commerciële televisiestations in Australië verhoogde de diversiteit aan programma's niet. Meer capaciteit impliceert dan ook niet noodzakelijkerwijs een meer heterogeen aanbod. In ieder geval leidt de kostenstructuur van een omroep (hoge vaste kosten, lage variabele kosten) tot een sterke concentratietendens. In de mate dat we er vooral in slagen om het aantal kijkers te meten, maar niet de waardering van de individuele kijkers, is het in dergelijke markt niet evident om programma's met een hoge waardering door een klein publiek te ondersteunen.
MNM
Kortom, er blijven argumenten voor het bestaan van een openbare omroep. Waar het op aankomt, is de huidige werking af te toetsen tegen de objectieve argumenten voor het gebruik van belastinggeld. We moeten niet zomaar een vage notie hebben van de taken van een openbare omroep, we moeten ze daadwerkelijk vertalen naar de praktijk. Bij gebrek aan evenwichtige criteria loopt men immers het risico dat televisie enkel gereduceerd wordt tot een slag om de kijkcijfers. De vraag is of wij ons beperken tot het afknijpen van alle budgetten met enkele procenten, of dat we toekomen aan een open maatschappelijk debat over de vraag of bijvoorbeeld Radio MNM tot de opdracht behoort van een openbare omroep.

© De Persgroep Digital - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in Nederland www.volkskrant.nl.