26/02/10, 06u53
'Wat een man', vond ik al toen ik hem alleen nog alleen maar kende in het zwart-wit van de tv. 'Wat een man', vond ik ook, toen ik hem later echt leerde kennen. De nonkel van een natie, de vader van de gitaristen. Wat een stem. Zo sonoor maken ze ze niet meer. Bart Peeters nam in een ontroerende grafrede afscheid van zijn mentor Nonkel Bob.
Hij wist toen al dat tv poppenkast was, dus hij ontdubbelde zich en werd de poppen Mon en Tuur. En zijn stem ging bij één van beiden nog meer galmen, Mon of Tuur, dat weet ik niet meer. Gemeenschappelijk heetten ze Mon-Tuur. Super. Milleke, melleke, mol, karditsel, karditsel, kardol. Wat een spreuk. En niet zomaar wat. We waren allemaal bij de Melkbrigade. Dat clubgevoel. Dat kampvuur. Dat... vrienden mogen zijn.
Wat een nonkel. Niet van een tante, nee. Hij was de man van Annie. Annie waarmee hij vóór Tv Ohee nog Johnny-Cash-en-June-Carterde. Dankzij zoon David mochten we oude beelden zien: de prille Bob en Annie die elkaar kusten. Heel passioneel. Als het decor niet echt Parijs was, was het verdomd goed nagebouwd. Echt passioneel. Niet geschikt voor jonge kijkertjes. Je besefte plots dat Bob ook de zanger was van het mooie 'Anne Marie'. Wat een koppel! De liefde met Annie zou legendarisch worden in goede en kwade dagen. De nonkel vroeg zich in zijn laatste dagen af: 'Wie gaat er voor Annie zorgen?' En was daar meer mee bezig dan met zijn eigen verdwijntruc.
Het komt goed, want David is er. Wat een zoon. Het is al heel wat als je als kind merkt dat je vader op een ander nog een kind heeft. Wat moet het zijn als je als kind merkt dat je vader overal... dat hij eigenlijk de vader is van alle kinderen van het land. De nonkel was misschien ook even verbaasd toen David - linguïstisch correct - 'vrolijke vrienden' vertaalde als 'gay friends'. David maakte er een mooie autobiografische voorstelling van, die in het eerste deel best een beetje een dramatische teneur had. En de nonkel zat op de eerste rij en zei in de pauze tegen het publiek: "Het komt goed. Het loopt goed af." Bob stierf in de armen van David en het liep wonderschoon af. Wat een vader. Wat een zoon.
Wat een legendarische superster ook. Er waren nog geen andere zenders en Pien was de weergod, Corsari de showgod, tante Terry de godin pur sang en Bob was de dondergod. De Rolling Stones zijn nog altijd onder de indruk van zijn geluid. Het broeikaseffect bestond nog niet, de natuur leek nog van nature onverwoestbaar, maar toch zong hij 'Plant een boom doebiedoem doebiedoem'. Lang voor Al Gore zag hij een inconvenient truth. We leerden instrumenten maken met afval. Recyclage, ik weet niet of het woord toen al bestond.
Hij was Samson en Gert en Plop en Piet Piraat en nog veel meer tegelijk. Maar hij wilde geen captain of industry zijn, hij hield het eenvoudig. Die simpele kist. Dat eeuwige touw waarmee hij zijn heilige gitaar omhing. Was dat er niet wat over? Er bestonden toen al prachtige, lederen, professioneel gemaakte gitaarriemen. Dat eeuwige vale okeren hemd. Had hij een gelofte van soberheid afgelegd? Was rond het kampvuur iedereen echt gelijk?
Als er maar goed gegeten werd. Want hij was natuurlijk ook de voorganger van SOS Piet. Piet verpakt het leuk, maar de nonkel maakte een conceptplaat waarin hij je zingend bijbracht hoe je bijvoorbeeld de ideale Irish coffee bereidde. Zo ver is Piet nog niet. Mijn restaurant is eigenlijk zijn restaurant.
En vorige week gebeurde het. Een mens die sterft, is als een museum dat afbrandt. Maar in zijn geval: wat een museum. En wij, we doen dat allemaal, wij proberen ons daar iets bij voor te stellen. Wij proberen ons voor te stellen dat de nonkel in de hemel komt en zegt: 'Vrienden, laat ons een liedje zingen.' Felice en Yasmine zingen voorzichtig de achtergrondstemmen en Jomme Dockx denkt: 'Als onzen Adelbert dees nou mor es had kunnen...' en John Lennon kijkt jaloers naar gitaargrepen en Elvis komt binnen en de nonkel zingt hem sympathiek voor hoe je de betere hamburger maakt. In een liedje. En dan schiet Michael Jackson in een subtiel moonwalkske op de tonen van 'Plant een boom'.
En wij kijken dromend van hier beneden en we denken: 'Nonkel, het is schoon geweest.' We zijn bedroefd, maar ook dankbaar, want je bracht ons allemaal dichter bij elkaar met al je clubs en brigades. Je maakte ons met z'n allen gelukkig en blij, dus:
Vrolijke, vrolijke vrienden, vrolijke vrienden, dat zijn wij.
Vrolijke, vrolijke vrienden, vrolijke vrienden, dat zijn wij.
Dag lieve vriend.