Waarom men in Diepenbeek ook Engels spreekt

Wim Coudenys vindt niet elke taalkwestie een politiek probleem. Hij is hoofd van het International Office van de Lessius Hogeschool in Antwerpen. Hij schrijft deze bijdrage uit eigen naam.

 De toename van het Engels betekent in geen geval dat we het Nederlands als onderwijstaal opgeven, maar dat we ons open opstellen ten opzichte van de buitenwereld  
De Engelstalige opschriften die sinds vorig jaar op de gevels van departementen van de Provinciale Hogeschool Limburg (PHL) in Hasselt en Diepenbeek prijken, zijn in strijd met de taalwet. Zo oordeelde afgelopen week het Vast Comité voor Taaltoezicht na een klacht van de Marnixring ter bevordering van de Nederlandse taal en cultuur (DM 6/2). Volgens Wim Coudenys moet niet elke taaluiting politiek geïnterpreteerd worden.

August Vermeylen wist het al: "Wij willen Vlamingen zijn om Europeeërs te worden." Toch lijkt Vlaanderen in de greep van een heel ander discours: ofwel vormt Europees denken een bedreiging voor de Vlaamse identiteit, ofwel voelt men zich als 'Europeeër' geroepen om de Vlaming als 'bekrompen en provincialistisch' uit te spuwen. Deze houding komt het sterkst tot uiting in het taalgebruik: Nederlands is de toetssteen om te weten tot welke categorie men behoort. Hoewel taal inderdaad een krachtig politiek wapen is dat discriminatie in de hand kan werken, wordt die andere, nog belangrijkere functie wel eens vergeten: communiceren. En het is precies hierop dat het taalbeleid van de Vlaamse regering inspeelt: een betere kennis van het Nederlands zal het sociale weefsel versterken en leiden tot een betere, kwalitatief hoogstaande maatschappij. Dit beleid op een andere manier uitleggen of gebruiken (namelijk als discriminerend) is politiek oneerlijk. Laat hierover echter geen misverstand bestaan: op het moment dat taal wel degelijk een politiek karakter krijgt, kan je maar beter vasthouden aan je moedertaal - bijvoorbeeld in communautaire twisten of andere bilaterale onderhandelingen waarbij je als niet-native in een zwakkere positie terecht komt.

Politiek en communicatie

De discussie tussen het Vast Comité voor Taaltoezicht (VCT) en de Provinciale Hogeschool Limburg (PHL) over Engelstalige opschriften (DM 6/2) moet tegen deze achtergrond worden gezien. Het VCT moet erover waken dat taal niet discriminerend, politiek dus, gebruikt wordt en heeft daarvoor een heleboel taalwetten en afgeleide regels voorhanden. Deze regels maken geen onderscheid tussen de bedoeling (communicatief dan wel politiek). Daarvan maken sommigen - in het Limburgse geval de Marnixring - gebruik om elke taaluiting politiek te interpreteren en bij het VCT aan te kaarten. Waarop het VCT de regeltjes toepast en berispingen uitdeelt: precies wat met de opschriftenkwestie van de PHL is gebeurd. De instelling rechtvaardigt de opschriften vanuit de idee dat ze 'internationaal' zichtbaar wil zijn, de Marnixring maakt er een politieke kwestie van.

Misschien is het verstandig om de kwestie eens in de juiste (onderwijs)context te plaatsen. De internationalisering van het hoger onderwijs wil studenten beter voorbereiden op de globale en multiculturele realiteit. Internationalisering ligt volledig in de lijn van de Bologna-doelstellingen - de creatie van één transparante Europese hoger onderwijsruimte - en vormt ook een antwoord op de Europese Lissabon- en 2020-strategieën of Vlaanderen In Actie. Internationalisering houdt in dat studenten en docenten niet alleen internationaal mobiel zijn en samenwerken met buitenlandse partners, maar ook dat in de eigen instelling een internationale leersituatie gecreëerd wordt, onder andere door meer buitenlandse studenten en docenten aan te trekken en/of meer vakken in andere talen aan te bieden. Een kwaliteitsvolle opleiding in een open en gastvrije omgeving maakt van die buitenlandse studenten en docenten bovendien gedroomde ambassadeurs voor Vlaanderen - toch niet onbelangrijk voor een regio die zijn imago zo tegen heeft. Met andere woorden: internationalisering hoort thuis in een debat over de kwaliteit van het onderwijs en heeft niks te maken met een of andere obscure, al dan niet bewuste strategie om het Nederlands als onderwijstaal te marginaliseren.

Vrees voor het onbekende
In Vlaanderen blaast men over zulke internationalisatie koud en warm tegelijk: we moedigen studenten en docenten aan om naar het buitenland te gaan, maar met inkomende studenten en docenten ligt het wat moeilijker. Vaak verwijst men naar de beperkingen op het maximum aantal anderstalige vakken dat mag worden ingericht. Daarnaast bemoeilijkt de taalwetgeving de aanwerving van buitenlandse docenten, terwijl ze in de regel snel voldoende Nederlands leren.

Wellicht is de vrees voor het onbekende groter dan de bezorgdheid om kwaliteitsvol, internationaal gericht hoger onderwijs in Vlaanderen. De toename van het Engels betekent in geen geval dat we het Nederlands als onderwijstaal opgeven, maar dat we ons open opstellen ten opzichte van de buitenwereld. Het vasthouden aan het Nederlands als enige onderwijstaal mag geen alibi zijn om onze studenten beter onderwijs te ontzeggen. En voor alle duidelijkheid: dat beter slaat ook op de kwaliteit van het Engels en het Nederlands waarin dat onderwijs gegeven wordt.
09/02/10 07u00
printIcon Printversie       mailIcon Mail een vriend(in)     

deGedachte

De beste gedachten verschijnen in de krant

 

Lees ook

Alles over

Nuttige links

jouw lezersbrief in De Morgen?
stuur hem naar lezers@demorgen.be

http://the-acap.org/acap-enabled.php © De Persgroep Publishing. Alle rechten voorbehouden. Lees de gebruiksvoorwaarden.