Brussel, aan de slag
Philippe Moureaux stelt prioriteiten voor de hoofdstad. Hij is burgemeester van Sint-Jans-Molenbeek en lid van de PS. "Brussel verdient beter dan de karikaturen die erover geschetst worden langs beide zijden van de taalgrens", schreven Le Soir-hoofdredactrice Béatrice Delvaux en De Morgen-commentator Yves Desmet in een "Open Brief aan onze politici" (DM 4/2). Molenbeeks burgemeester Philippe Moureaux (PS) stuurde beide kranten een reactie.
Wie het publiek laat geloven dat we het probleem wel even zullen oplossen met institutionele hervormingen geeft blijk van intellectuele oneerlijkheid
Ik waardeer uw bereidheid om de clichés te overstijgen die aan beide kanten van de taalgrens heersen omtrent het veiligheidsprobleem in de hoofdstad. Ik zie dan ook met lede ogen aan hoe beide partijen voortdurend parallellen proberen te trekken. Ik geef een voorbeeld: de Franstaligen zouden niet meer in de meerderheid zijn in Brussel, omdat de Franstalige inwoners van vreemde origine niet echt Franstaligen zouden zijn. Die stelling, die in Vlaanderen is ontstaan, houdt amper steek. Ze is niet alleen fout, maar naar mijn mening ook waardeloos.
Ik heb er altijd voor geijverd dat de Vlaamse Brusselaars zouden worden betrokken bij het bestuur van de stad. Dat getuigt voor mij van een zeker respect voor de historische achtergrond van deze stad. Bovendien zorgt die betrokkenheid ook voor de nodige wijsheid en evenwichtigheid in ons institutionele systeem.
Maar dan is er natuurlijk ook nog de hele mediapolemiek van de laatste paar dagen. De politie, die zich op een uiterst professionele manier van haar taak kwijt, heeft een dramatische gebeurtenis te verwerken gekregen. De misdadigers maken blijkbaar gebruik van vuurwapens die in feite oorlogstuig zijn. Ik kan heel goed begrijpen dat de alarmklok wordt geluid als dergelijke problemen zich voordoen. Ik heb zelf voorgesteld om een speciale eenheid op te richten in de strijd tegen de wapenhandel. Maar wie het publiek laat geloven dat we het probleem wel even zullen oplossen met institutionele hervormingen - denk maar aan de fusie van de verschillende politiezones of van de OCMW's - geeft blijk van intellectuele oneerlijkheid.
Als u me toestaat, zou ik dat makkelijk kunnen vergelijken met een voorstel om de sluiswachter een nieuw uniform aan te meten in de strijd tegen de vervuiling van het kanaal.
Graag wil ik daar nog aan toevoegen dat ik, op basis van mijn kennis van het terrein en van mijn ervaring op het vlak van de verschillende machtsniveaus, opensta voor welk sereen debat ook, zonder daarbij ook maar enig taboe uit de weg te gaan. De enige voorwaarde die ik evenwel stel, is dat het debat buiten de huidige hysterie om moet worden gevoerd. Ik ben ervan overtuigd dat het voornaamste probleem van de Brusselse wijken het sociale probleem is. De misdadigers vinden veel makkelijker nieuwe rekruten in een sociaal verloederde buurt, en de haat tegenover de andere bewoners is er veel meer wijdverbreid.
Met opzet verdoezeldDe complexiteit van de Brusselse instellingen houdt in de eerste plaats verband met de Vlaamse eis om in de Brusselse machtsstructuur ingebed te zijn. Het aantal gemeentemandatarissen ligt in Brussel proportioneel lager dan in Halle-Vilvoorde. Die feiten worden vaak met opzet verdoezeld, maar mogen ons niet verhinderen om goed na te denken over eventuele hervormingen. Ik zal bij het opstellen van onze overwegingen dan ook rekening houden met de volgende prioriteiten:
1. Gebruik maken van wat we voorhanden hebben, op een serene manier de middelen aanwenden waarover we beschikken, maar die momenteel niet worden benut uit inertie, of als gevolg van een gebrek aan werkingsmiddelen
2. De archaïsmen die makkelijk op te lossen zijn aan een onderzoek onderwerpen. Ik zal de soms absurde gemeentegrenzen aanhalen die nog stammen uit de tijd van het Ancien Régime.
3. Substantiëler hervormingen in overweging nemen die zowel de functionele rationaliteit als de nabijheid bevorderen.
Het bouwterrein is uitgestrekt. We zouden er naar kunnen uitzien om aan het werk te gaan als we niet voortdurend verstrikt zouden raken in communautaire bijbedoelingen. Daarbij moeten we ook oog hebben voor de afkeer voor de andere, de vreemde, die achter bepaalde voorstellen schuilgaat. Aan het werk.