Verhofstadt schrijft open brief aan Herman Van Rompuy

04/02/10, 18u30

Open Brief aan Herman Van Rompuy, Voorzitter van de Europese Raad

Mijnheer de Voorzitter,

Beste Herman,
Op uw initiatief houden de staats-en regeringsleiders op 11 februari een informele top over wat je samenvattend "de staat van de Unie" zou kunnen noemen. Ik denk dat dit een goed initiatief is dat niets te vroeg komt, want inmiddels is het nieuwe Lissabonverdrag al meer dan twee maanden van kracht.

Het minste wat je kan zeggen is dat het niet goed gaat met de Unie. Het aantal mis- en tegenslagen stapelt zich op. Denken we maar aan de dramatische uitkomst van Kopenhagen waar een akkoord werd gesloten buiten de Europese Unie om, aan de gebrekkige coördinatie bij de hulpverlening aan Haïti of aan de neerwaartse spiraal waarin de Eurozone is terechtgekomen naar aanleiding van de moeilijkheden in Griekenland. Het feit dat de Amerikaanse president niet naar de EU-VS top in Madrid zal komen, is eveneens veelbetekenend.

We weten beiden dat dit geen toevallige tegenslagen zijn. Het volstaat om eenmaal het vliegtuig naar Beijing of Shanghai te nemen om er van overtuigd te zijn dat er meer aan de hand is, dat er een nieuwe multipolaire wereld in aantocht is waarin de macht en de invloed  van de Europese landen tanend is. Uit de aanslagen van 9/11 en de financiële crisis van september 2008 is een nieuwe wereldorde geboren die onverbiddelijk is voor de (voorbijgestreefde) nationale waan van de meeste Europese lidstaten. De verwachte groei voor 2010 voor de Eurozone bedraagt slechts 0,9% van het BBP, terwijl dat voor China 10%, voor India 7%, voor Brazilië 4,8% en voor de VS 4,4% is. Ten laatste in 2050 zal de G7 niet langer bestaan uit de VS, Frankrijk, het VK, Duitsland, Italië, Japan en Canada maar uit China, India, Brazilië, Rusland, Mexico, Indonesië en de VS.

De strategie die Europa hier in 2000 tegen in stelling bracht, heeft allerminst de verwachtingen ingelost. De zogenaamde Lissabonstrategie zou de economie van de Unie omvormen tot de "meest competitieve kenniseconomie van de planeet". Die doelstelling is nauwelijks waargemaakt. We hebben, om maar één voorbeeld te geven, onze achterstand inzake investeringen in R&D geenszins ingelopen. De EU blijft steken op een luttele 1,77% waar Japan 3,39% en de VS 2,66% van hun BBP investeren.

De reden voor dit falen valt ook gemakkelijk te achterhalen. Reeds jaren wordt er door experten op gehamerd dat de methode die bij de Lissabonstrategie wordt gehanteerd veel te vrijblijvend is. Van de open coördinatiemethode gaat nauwelijks sturing en druk uit op de lidstaten. Ze degradeert de rol van de Unie in het aanzwengelen van de economie tot een studiebureau dat de resultaten van de nationale economieën van de lidstaten met elkaar vergelijkt om dan op basis van deze uitslagen wat vrijblijvende aanbevelingen uit te sturen. Een rol die vandaag de OESO al speelt. Maar nog belangrijker is dat de Lissabonstrategie blijft uitgaan van in wezen nationale economische strategieën. Het zijn de nationale lidstaten die in de "driverseat" zitten, niet de Europese instellingen. M.a.w. de Europese economie wordt niet als een geheel beschouwd dat ernstige handicaps te overwinnen heeft ten opzichte van de economieën van pakweg China, de VS en India, maar als een verzameling van elkaar afgescheiden nationale volkshuishoudingen die elk voor zichzelf maar orde op zaken moeten zetten en daarbij moeten uitmaken hoe ze dat concreet doen. In de geglobaliseerde wereldeconomie van vandaag is dat echter een absurd en onhoudbaar uitgangspunt. Zelfs het louter coördineren van de nationale economische strategieën zou al een stap (hoewel onvoldoende) in de goede richting zijn. Enkele voorbeelden waar minstens coördinatie noodzakelijk is, zijn het opkuisen van de banken om kredietverstrekking opnieuw op gang te trekken of het doorvoeren van de noodzakelijke hervormingen op arbeidsmarkt of in het pensioenstelsel. Kortom alleen een volwaardige sociaal-economische kabinet voor de Unie kan het tij keren en de Europese economie opnieuw op het pad zetten naar meer competitiviteit en meer groei. 

Uiteraard geldt dit nog meer voor de Eurozone waarvan de deelnemende landen door een gemeenschappelijke munt onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. De ontwikkelingen rond Griekenland, de dreigende besmetting van andere eurolanden en de verzwakking van de munt zelf die ermee gepaard gaat, zijn een goed voorbeeld hiervan. In plaats van gezamenlijk onmiddellijk een cordon rond Griekenland en dus de Euro op te trekken, zonden Europese gezagsdragers om de haverklap signalen en boodschappen de wereld in dat dit een zaak van Griekenland was en de Grieken maar zelf de nodige maatregelen moesten treffen. Dat er diepgaande ingrepen in Griekenland nodig zijn, zal niemand ontkennen. Maar door die niet door de ECB of de Europese Commissie te laten uitwerken en opleggen en ze te koppelen aan een steun bij de dekking van de schuld zelf (bijvoorbeeld door de uitgifte van euro-obligaties) werd Griekenland als het ware overgeleverd aan de internationale kapitaalmarkten,  met andere woorden aan de speculanten en de beleggers. Zonder terdege te beseffen dat daarmee ook andere landen in het vizier dreigen te komen en de uiteindelijk de Euro zelf ondergraven wordt. Het is juist dat "spreads" (het verschil tussen de rente op overheidsobligaties van een land tegenover Duitsland) niet te vermijden zijn. Meer nog, dat zij een aansporing zijn voor landen die nalaten de nodige maatregelen te treffen. Zij dwingen hun tot hervormingen. Maar oplopende "spreads" kunnen ook een eigen leven leiden. Kortom, het doel worden van speculanten en beleggers in hun zoektocht naar makkelijk geldgewin. In zo'n geval dreigen renteverschillen tussen de landen van eenzelfde monetaire zone de gemeenschappelijke munt zelf te ondergraven. 

Hoe dan ook, of het nu gaat om Haïti, Griekenland of de dramatische afloop in Kopenhagen de reden voor dit falen is telkens hetzelfde: het is omdat de lidstaten de touwtjes in handen blijven houden en omdat Europa noch de macht, noch de instrumenten bezit om een éénduidige aanpak mogelijk te maken, laat staan op te leggen. In de tragedie die Haïti treft, waren de diverse lidstaten erg genereus. Dat is goed, maar een EU-fast, een gemeenschappelijke Europese humanitaire interventiemacht zou heel wat sneller en efficiënter zijn geweest. De idee van een Europese coördinatie van de krachten van de burgerbescherming in de lidstaten is niet nieuw. Zij werd voor het eerst geopperd op de zogenaamde "Pralinentop". Daar hebben in april 2003 Jacques Chirac, Gerhard Schröder, Jean-Claude Juncker  en ikzelf voorgesteld een EU-Fast (European Union First Aid and Support team) op te richten. In 2006 werd het voorstel overgenomen en verder uitgewerkt door Michel Barnier in een rapport in opdracht van de Europese Commissie. Maar zowel in 2003, als in 2006 waren er lidstaten die een "EU-fast" of een "Europe Aid" zoals het in het rapport Barnier werd genoemd, niet zagen zitten. Officieel omdat ze tegenstander zijn van het inschakelen van militaire middelen voor civiele doeleinden. In werkelijkheid omdat ze door deze hulp in eigen handen te houden, de illusie koesteren hierdoor invloed en aanzien in de getroffen landen en gespecialiseerde, internationale  instellingen te behouden.

Ook Kopenhagen had wellicht een andere uitkomst gekend indien Europa één in plaats van acht vertegenwoordigers had gestuurd (de organisator Denemarken, een vertegenwoordiger van de Europese Commissie; Frederik Reinfeldt voor het Zweeds voorzitterschap; José Luis Zapatero voor het komende Spaans voorzitterschap, Catherine Ashton, Gordon Brown, Nicolas Sarkozy, Angela Merkel). De Wereldhandelsorganisatie (WTO) is een goed voorbeeld van hoe het moet én kan. In de WTO wordt naar Europa geluisterd omdat het er één woordvoerder heeft, één persoonlijkheid die namens alle 27 lidstaten beslissingen kan nemen. Dat moet ook de aanpak worden in de klimaatonderhandelingen zoals overigens in alle internationale fora (bijvoorbeeld het IMF). Maar Europa moet daarbij ook van realisme blijk geven en haar wensen niet steeds voor werkelijkheid nemen. In de nieuwe multipolaire wereld is Europa niet meer in staat haar wil aan iedereen op te dringen zelfs niet aan de zijde van de Verenigde Staten. Het Westen heeft niet langer de alleenheerschappij op deze planeet. Om de opwarming van de aarde een halt toe te roepen zal minstens een trilateraal akkoord tussen de Unie, de Verenigde Staten en China noodzakelijk zijn. Dat is een betere aanpak dan het trachten te vinden van een volledige eensgezindheid onder 192 leden van de Verenigde Naties zoals de mislukking in Kopenhagen jammerlijk heeft aangetoond.

Kortom, Mijnheer de Voorzitter, als het de staatshoofden en regeringsleiders menens is bij het analyseren van de recente mislukkingen in de Europese Unie dan kunnen zij op 11 februari maar tot één sluitende conclusie komen: Europa heeft meer eenheid en vooral veel meer integratie nodig, zo niet speelt het morgen geen enkele rol van betekenis meer. Verwijzen naar het Lissabonverdrag en hopen dat het tij wel zal keren, is onvoldoende. Integendeel. Dat blijkt uit de gebeurtenissen van de voorbije weken en maanden. Wel zal het nieuwe verdrag de macht van het Europees parlement als de emanatie van de wil van de burgers in Europa aanzienlijk doen toenemen. Het parlement zal van die nieuwe macht ook gebruik maken. Zeker wanneer na 11 februari zou blijken dat de Europese staats-en regeringsleiders niet in staat of niet bekwaam zijn gebleken de juiste conclusies te trekken. Maar ik hoop uiteraard samen met u ten zeerste op het omgekeerde.

Hoogachtend,
   
Guy Verhofstadt
Voorzitter van de ALDE - fractie in het Europees Parlement
mailIcon print | Meer bookmarks |
Aan het laden...

Jouw gedachte?

De beste gedachten verschijnen in de krant

Aan het laden...
<spring:message code='commonMessages.loading' />