01/12/09, 11u58
Karel Lannoo over de belangrijke veranderingen die gepaard zullen gaan met het vandaag in werking tredende Verdrag van Lissabon. Lannoo is CEO van CEPS (Centre for European Policy Studies, www.ceps.eu), een EU-denktank die oplossingen bedenkt voor Europese vraagstukken. Het Verdrag van Lissabon luidt een volgende stap in de verdieping van de EU in, iets waar België al lang voor ijvert. Het verdrag laat toe de samenwerking tussen de lidstaten uit te breiden in domeinen waar dit tot nu toe niet of minder mogelijk was, en versterkt de mogelijkheid van gemeenschappelijk optreden buiten de Unie. Een nieuwe fase in het Europese integratieproces is begonnen, wat de komende maanden en jaren voelbaar zal zijn.
-
Het verdrag bevat stappen om de EU democratischer en efficiënter te maken. Of ze ook transparanter wordt is een andere zaak. Hier is een taak weggelegd voor de media, die veel te weinig over dit thema rapporteren
Voor sommigen is het verdrag dood geboren. Omwille van de nee-stemmen in Frankrijk en Nederland werd het beter afgevoerd, zo redeneren zij. Het gezaghebbende The Economist heeft verschillende keren de doodsklok geluid over verdragswijzigingen in de EU ¿ de covers van het tijdschrift zijn in die zin historisch ¿ maar had het telkens volledig fout. Hoe moeilijk de samenwerking soms ook verloopt, dat er een consensus was tussen de regeringen van de verschillende landen bewijst dat zij ook de noodzaak voelen van een versterkte samenwerking, ook al slagen ze er niet allemaal in om dat aan hun publieke opinie te verkopen.
Velen weten niet dat de belangrijkste ministers van alle EU-landen bijna maandelijks naar Brussel (of Luxemburg) reizen om ministerraden bij te wonen. De ministerraad was verleden week aan zijn 2.976ste bijeenkomst toe, wat neerkomt op gemiddeld zes bijeenkomsten per jaar sedert 1958, op basis van tien verschillende vormen waarin de ministerraad kan bijeenkomen. Bij de staatshoofden en regeringsleiders is dat vier keer per jaar. Blijkbaar zien zij in dat gezamenlijk handelen beter is dan elk voor zich. Veel Europeanen weten ook niet dat de Europese regionale samenwerking uniek is op wereldvlak, gezien dergelijke mate van samenwerking tussen soevereine staten elders niet bestaat. Men moet maar naar Noord-Afrika te reizen om te zien hoe ongenaakbaar soevereine staten, of hun "soevereinen", daar zijn.
Verklaring van Laken
De huidige Verdragswijziging is de vijfde en waarschijnlijk de belangrijkste na Maastricht, die de basis legde voor de monetaire unie en de buitenlandse en binnenlandse samenwerking oprichtte, de zogenaamde tweede en derde pijler. Het nieuwe verdrag voorziet in:
1. Het inbrengen van de huidige tweede en derde pijler, de samenwerking in buitenlandse en binnenlandse veiligheidsaangelegenheden, als volwaardig EU-beleid.
2. Een vaste voorzitter van de Europese Raad (Van Rompuy) en een hoge vertegenwoordiger voor buitenlands beleid.
3. Meer beslissingen met gekwalificeerde meerderheid in de raad, en een verlagen van de drempel voor dergelijke beslissingen.
4. Een uitbreiding van de bevoegdheden van het Europees Parlement.
5. Een verklaring van de grondrechten van de Europese burgers.
Het initiatief voor deze verdragswijziging werd genomen gedurende het vorige Belgische voorzitterschap van de raad, in de Verklaring van Laken in december 2001. Met het toen net afgesloten Verdrag van Nice was men er niet in geslaagd om een kader te creëren wat verder verdiepen zou toelaten bij een uitbreiding van de Unie. Het gevoel heerste dat een verdere uitbreiding het federale karakter van de Unie zou verwateren, en dat men opnieuw in een verbeterde vrijhandelszone zou verzeilen.
De verklaring van Laken, die toen in paginagrote advertenties in de Europese kranten verscheen, riep een Europese conventie bijeen om de Unie democratischer, transparanter en efficiënter te maken. Een Europese grondwet bleek te hoog gegrepen, en na de negatieve referenda besloot men weer, zoals voordien, amenderingen voor te stellen op het bestaande verdrag. Maar met behoud van de essentie van de voorstellen van de conventie.
Energiebeleid De belangrijkste structurele verandering is de oprichting van een Europese buitenlandse dienst, een structuur die alle externe diensten van de Europese Commissie en Raad samenbrengt. Die dienst zal worden geleid door Catherine Ashton, die zowel vicevoorzitter is van de commissie als hoge vertegenwoordiger van de raad voor Buitenlandse Aangelegenheden.
De discussie is nog gaande waar die dienst zich zal situeren, maar waarschijnlijk zal die in de commissie worden ondergebracht, aldus een recente vraag van het Europees Parlement, om ervoor te zorgen dat ze volledig binnen het communautaire model functioneert. Alle externe vertegenwoordigingen van de EU worden samengebracht en krijgen aldus een diplomatiek statuut. Dit zal bijvoorbeeld toelaten dat de EU lidstaten in vooral minder belangrijk landen hun vertegenwoordiging samenvoegen.
Een tweede belangrijke verandering is de verdere samenwerking voor binnenlandse en justitiële aangelegenheden. Waar die tot nu toe vooral "intergouvernementeel" was, komen deze zaken nu onder de EU-paraplu. Derhalve kunnen beslissingen hierover genomen worden met gekwalificeerde meerderheid en wordt de desbetreffende bevoegdheid van het Europees Parlement groter. Bijgevolg zal dat de besluitvorming op het vlak van migratie, de strijd tegen terrorisme en de samenwerking tussen justitiële instanties kunnen versnellen.
Een andere belangrijke maar minder bekende wijziging is dat energiebeleid een volwaardige EU-bevoegdheid wordt. Tot nu toe heeft de EU de markt voor energiediensten geliberaliseerd, maar de bevoorrading bleef een nationale kwestie. Dit liet bijvoorbeeld Rusland toe om de interne verdeeldheid uit te spelen, en met elke lidstaat verschillende deals af te sluiten. Met het nieuwe verdrag zal de EU met Rusland onderhandelen, wat de energieportefeuille in de nieuwe Europese Commissie veel meer gewicht heeft.
Dit zijn wellicht de drie belangrijkste beleidsdomeinen, maar er zijn nog veel andere wijzigingen. Het zijn stappen om de Unie democratischer en efficiënter te maken. Of ze daarbij ook transparanter wordt is een andere zaak. Hier is een taak weggelegd voor de media, die veelal veel te weinig over dit thema rapporteren. Recente cijfers tonen dat de VRT slechts 1,51 procent van de zendtijd in de journaals aan Europa besteedde in 2009, en vtm 0,47 procent. Alle initiatieven ten spijt, zal Europa "ver van ons bed" blijven zo lang de media er niet meer aandacht aan schenken. Zoniet blijft het een zaak van technocraten en vermoeide politici.