04/11/09, 11u11
Journalist Tony Barber van de Financial Times schetst het vereiste profiel bij de topjob van Europees president. Europese topjobs gaan niet per definitie naar de beste kandidaten, ze gaan in de eerste plaats naar de minst omstreden figuren. Europa-journalist Tony Barber schetst het ideale profiel van de toekomstige Europese president. "Van Rompuy maakt kans, maar voor een definitieve consensus over één figuur is het te vroeg."
-
Je hebt bepaalde kwaliteiten nodig om dit soort jobs goed te doen. Maar je hoeft echt niet Franklin D. Roosevelt te zijn, of Charles de Gaulle of zelfs Tony Blair. Eigenlijk is het zelfs beter dat je dat niet bent
Het is al vijftien jaar een zeldzaamheid dat de beste mensen worden gerekruteerd voor de hoogste jobs in de Europese Unie. Dat hebben we gezien met de benoeming van de drie laatste voorzitters van de Europese Commissie: de Luxemburger Jacques Santer (middelmatig), de Italiaan Romano Prodi (middelmatig) en de Portugees José Manuel Barroso (beter, maar niet briljant). We zagen het bij de selectie in 1998 van de eerste president van de Europese Centrale Bank, de Nederlander Wim Duisenberg. Nu lijkt het er op dat we er weer een bewijs van zullen zien bij de keuze van de eerste voltijdse EU-president.
Waarom? Er zijn drie mogelijke verklaringen. De eerste is de uitbreiding van de EU. Toen Jacques Delors benoemd werd als Commissievoorzitter in 1985 had de EU slechts tien lidstaten. Vandaag zijn dat er 27. Met zoveel nationale regeringen rond de tafel, met zoveel rivaliserende partijbelangen om aan tegemoet te komen, en met zoveel overwegingen omtrent het geografische evenwicht op de achtergrond, lijkt de EU gedoemd om de minst omstreden en controversiële kandidaten te kiezen. De geest van het compromis die eigen is aan de EU bepaalt dat de middelmatigheid het haalt van de bewezen kunde.
Een tweede, verwante reden is de toegenomen invloed van de Raad van Ministers van de EU, die de nationale regeringen vertegenwoordigt, ten nadele van de andere Europese instellingen. De regeringen hebben de touwtjes in handen tegenwoordig. De EU-leiders beslisten een paar jaar geleden dat de eerste voltijdse president van de raad een zittend of voormalig regeringshoofd moet zijn. Iemand uit hun eigen rangen dus. Toen ze dat besluit namen, wisten de meeste leiders perfect dat dat het reservoir van geschikte kandidaten aanzienlijk zou inperken. Zolang de keuze van de president bij de nationale leiders ligt, is de kans klein dat ze iemand zullen kiezen die hen in de schaduw kan stellen.
Een derde reden blijft de rol van Duitsland. Als de grootste, economisch machtigste lidstaat neemt Duitsland een vooraanstaande positie in. Dat is nog duidelijker geworden na de hereniging van het land in 1990 en de invoering van de euro in 1999. Maar Duitsland kan door zijn bezwaarde geschiedenis niet al te opvallend het voortouw nemen. Daarom probeert het zijn invloed aan te wenden door zich geïnteresseerd te tonen in de belangen van de kleinere lidstaten.
Uiteraard worden de grote lijnen van het EU-beleid vaak uitgezet door Duitsland, in samenspraak met Groot-Brittannië en Frankrijk. Eén manier waarop Duitsland de achterdocht van andere landen wegneemt, is door hun kandidaten te promoten voor de topbanen. Dat had kanselier Angela Merkel in gedachten toen ze vorige week met journalisten praatte tijdens de top in Brussel. Ze zei hen dat de fulltime president volgens haar uit een kleinere lidstaat moet komen. Talent was weliswaar relevant maar slechts van secundair belang.
Triomf van de middelmatigheid Heeft de triomf van de middelmatigheid belang voor Europa? In vele belangrijke opzichten is dat zo. De EU heeft een president van de Europese Centrale Bank nodig van topniveau (gelukkig heeft ze die nu met de Fransman Jean-Claude Trichet). De EU heeft ook nood aan meer effectieve Commissievoorzitters dan ze in de voorbij vijftien jaar gehad heeft. Maar wat het nieuwe fulltime presidentschap betreft, ben ik niet zeker dat het er veel toe doet. Het vreemde kenmerk van de zoektocht naar een nieuwe president is dat die van start ging lang voor de EU-leiders de precieze taakomschrijving hadden opgesteld. In die context zijn de mensen geneigd te denken aan Tony Blair, de voormalige Britse premier, die zich twee jaar geleden geïnteresseerd toonde in de functie.
Maar hij was niet de enige die zijn naam in alle stilte opwierp. Paavo Lipponen, de voormalige premier van Finland, deed hetzelfde begin dit jaar. Een ander politicus die zich inschakelde in de manoeuvres was de Luxemburgse premier Jean-Claude Juncker. Hij wist van het begin dat hij bijna geen kans maakte. Maar, hield hij de lezers van Le Monde voor in een interview vorige week: "Ik ben geen dwerg."
En Herman Van Rompuy? Verschillende Europese hoofdsteden beschouwen de Belgische premier als een geloofwaardige kandidaat. Om hem als absolute topfavoriet naar voren schuiven is het evenwel te vroeg. De discussies zijn nog niet ver genoeg gevorderd om te besluiten dat er een algemene overeenstemming rond één persoon bestaat.
Er lijkt wel al een consensus te groeien bij de EU-leiders dat de fulltime president veel minder macht zal hebben op de internationale scène dan Blair naar verluidt wilde. De president zal zich vooral concentreren op de voorbereiding van de EU-topontmoetingen ¿ momenteel vier per jaar ¿ en op het smeden van akkoorden tussen nationale leiders.
Simpel gesteld: de president zal een facilitator zijn, een persoon die niet meer mag doen dan uitvoeren wat de nationale leiders van de EU hem opdragen. Je hebt bepaalde kwaliteiten nodig om dit soort jobs goed te doen. Maar je hoeft echt niet Franklin D. Roosevelt te zijn, of Charles de Gaulle of zelfs Tony Blair. Eigenlijk is het zelfs beter dat je dat niet bent.