"Nee" tegen de hoofddoek, "ja" aan keppeltje en pruik
Michael Freilich mengt zich in het hoofddoekendebat. Hij is hoofdredacteur van Joods Actueel. De joodse gemeenschap heeft zich eigenlijk nog niet gemengd in het hoofddoekendebat, schrijft Freilich. Tot nu dus: "Bij deze wil ik de verschillen onderstrepen tussen de islamitische hoofddoek enerzijds en de joodse symbolen als het keppeltje en de pruik anderzijds."
Zeg "ja" aan religieuze symbolen in het openbaar, maar zeg krachtig "nee" tegen middeleeuwse praktijken
Het hoofddoekendebat woedt volop. Joodse organisaties houden zich opmerkelijk stil "in een debat dat het onze niet is". Ook Joods Actueel heeft geen grote trom bovengehaald toen het debat enkele maanden geleden losbarstte. Niet omdat het debat ons niet aanbelangt, dat doet het wel, maar omdat het beter is de gemoederen te laten bedaren alvorens een opinie te poneren in dit emotioneel geladen debat. Dat is thans het geval, hoop ik. Vandaar dat ik bij deze de verschillen wil onderstrepen tussen de islamitische hoofddoek enerzijds en de joodse symbolen als het keppeltje en de pruik anderzijds.
Laten we beginnen bij de hoofddoek. Die wordt, zo zegt men ons, opgelegd door de Koran, waarin over de verplichting van vrouwen in soera 24 staat "om de sluier over haar boezem te slaan en haar tooi niet te tonen". De hoofddoek is dus geen religieus symbool, maar een religieus opgelegde verplichting.
Het dragen van een keppeltje, daarentegen, is geen religieus gebod. In de Thora zul je er niets over terugvinden. De mannelijke hoofdbedekking werd ingevoerd ten tijde van de Talmoed, waar het wordt beschreven als "een scheiding tussen hemel en aarde" en aldus een erkenning is van de aanwezigheid van het opperwezen boven ons, boven ons hoofd. Omdat het geen halachische verplichting is (joodse wetgeving) werd het jarenlang enkel gedragen in de privésfeer, thuis en in de synagoge. Op het werk en in andere publieke ruimten werd het steeds netjes in de binnenzak opgeborgen.
Het is pas sinds de jaren zestig, met een veranderende en meer open maatschappij, dat de hoofdbedekking ook buiten de huiselijke levenssfeer werd gedragen. Maar ook vandaag nog is er een groot aantal mannen die wel thuis maar niet op het werk hun keppeltje opzetten. En dat met goedkeuring van de rabbijn.
Wat moslims als imam Nordine Taouil nog van de joodse gemeenschap kunnen leren, is dat het op de spits drijven van het debat nooit de gewenste resultaten oplevert, integendeel. Men moet steeds zoeken naar pragmatische oplossingen. Toen schoolgaan op zaterdag nog een verplichting was, sloot het Antwerpse Atheneum een compromis met de joodse studenten. Die wilden op de sabbat, hun rustdag, niet naar school gaan. Ze deden dat toch en in ruil werden er die dag geen toetsen opgelegd en mochten de studenten de notities van hun medescholieren na de sabbat overpennen.
Ja, er zijn ook joodse scholen in België, maar dat is historisch gegroeid. De instelling waar ikzelf schoolliep is ondertussen meer dan 120 jaar oud. Het allerbelangrijkste is echter dat wij er ons als minderheidsgroep terdege van bewust zijn dat de joodse wetten en leefregels er voor onze gemeenschap zijn. En die dienen niet aan anderen te worden opgedrongen.
Op naar de pruik (of hoed) die joodse vrouwen dragen. Is dit niet hetzelfde als de islamitische sluier? De vergelijking gaat niet op. Eén: omdat er bij ons geen gevallen bekend zijn van maatschappelijke druk of geweld tegenover vrouwen die hun haar niet bedekken. Als een joodse vrouw zo'n keuze maakt, zal haar familie daar allicht niet blij mee zijn, maar daar zal het dan ook bij blijven. Een tweede belangrijke verschil is dat joodse vrouwen niet onderdrukt worden of als minderwaardig worden behandeld. Joodse meisjes bedekken hun haar pas vanaf het moment dat ze trouwen (het haar is dan in de eerste plaats voor de eigen man).
Ze maken die keuze dus als meerderjarige, op basisscholen is er dus geen probleem. Verder is er ook een pragmatische uitweg gevonden om vrouwen niet te stigmatiseren: ze dragen namelijk hoeden of pruiken. Die laatste zijn in de meeste gevallen niet eens op te merken. Ze zijn gemaakt van menselijk haar en gaan tegenwoordig voor 2.000 euro per stuk over de toonbank. Geen kat die opmerkt dat het om een pruik gaat.
Terug naar de islamitische hoofddoek. In dit debat dient men niemand iets wijs te maken. De recente vragen om religieuze symbolen in onze maatschappij te weren - eerst bij de overheid, dan bij de rechtbanken (ook voor beklaagden!), nu op scholen, en straks misschien op elke publieke locatie - hebben niets te maken met het neutraliteitsprincipe of de afkeer van religieuze symbolen. Neen, het draait allemaal om de discriminatie van de vrouw in de islam.
Toen Patrick Dewael, in navolging van een rits lekenmaatregelen in Frankrijk bij ons het debat aanzwengelde in 2003 (hij was toen minister van Binnenlandse Zaken), was er maar één aanklacht in zijn discours: de schrijnende taferelen van onderdrukte moslima's die verbaal of zelfs fysiek aangevallen werden omdat ze zich niet plooiden naar de wens van islamitische mannen. Vrouwen als lustobjecten en meisjes die op steeds jongere leeftijd gedwongen worden een hoofddoek te dragen. Daar draait het debat om.
Wat men nu doet, is het kind met het badwater weggooien door alle religieuze symbolen te verbannen. Dat is trouwens ook ongrondwettelijk en druist in tegen onze basiswaarden als de vrijheid van religie. Noem een kat een kat, zeg ik dan. Zeg "ja" aan religieuze symbolen in het openbaar - er is heus niets mis met een kerststal of kandelaar op de Meir - en zeg tegelijkertijd krachtig "nee" tegen middeleeuwse, discriminerende en vrouwonvriendelijke praktijken.