Didier en de electorale kalender
Jean-Benoît Pilet vindt de opstand tegen Didier Reynders minder banaal dan ze lijkt. Hij is docent politieke wetenschappen aan de ULB en co-auteur van L'absence de partis nationaux: menace ou opportunité?
De MR heeft de jongste verkiezingen verloren, ergo de voorzitter moet wijken. De rebellie tegen voorzitter Didier Reynders (DM 20/10) lijkt eenvoudige politieke logica, alleen in België is niets wat het lijkt. Jean-Benoît Pilet legt uit hoe het hoge ritme van de opeenvolgende verkiezingen het interne huishouden van de partijen schade berokkent.
Al sinds de dag na de regionale en Europese verkiezingen van 2009 is er onvrede bij de Mouvement Réformateur (MR) omtrent de cumul van Didier Reynders, die de functie van vicepremier en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen combineert met die van voorzitter. Vooral zijn status als leider van de Franstalige liberalen wordt in vraag gesteld. Er gaan stemmen op die hem vragen een stap opzij te zetten en zich te concentreren op de federale regering. Begin deze week ging het verzet luider klinken. Het zijn niet langer geïsoleerde verkozenen die Didier Reynders op de korrel nemen, maar een veertigtal mandatarissen, onder wie zwaargewichten zoals Louis Michel, Charles Michel en Olivier Chastel (twee leden van de federale regering), Willy Borsus en Serge Kubla (de huidige en voormalige leiders van de MR in het Waals Parlement).
Die storm binnen de MR, het feit dat het leiderschap van Reynders opnieuw in vraag wordt gesteld, is totaal banaal, maar zegt tegelijkertijd veel over de evolutie van het federale België. Ten eerste: de banaliteit. Studies over verandering van leiderschap binnen partijen tonen het goed aan: in alle westerse democratieën is de vaakst voorkomende reden voor het ontslag van een partijvoorzitter een verkiezingsnederlaag. En wat Didier Reynders ook moge beweren, de MR heeft wel degelijk de verkiezingen verloren in 2009; een beetje in vergelijking met 2004, en veel in vergelijking met 2007. De stelregel van het "ongeluk van de overwonnenen" is een van de zeldzame onwankelbare wetten van de politiek. Als die nederlaag bovendien samengaat met een ontslag, of erger, met een aanblijven in de oppositie, dan wordt de legitimiteit van de voorzitter nog meer in vraag gesteld. En dat is precies wat de ondertekenaars van de recente brief aan Didier Reynders hun voorzitter verwijten. De MR heeft de verkiezingen verloren en zit nog vijf jaar langer in de oppositie in Brussel en Wallonië. De ontevredenen zijn met velen, vooral in de generatie die ongetwijfeld haar kans heeft gemist om ooit minister te worden.
Lange transitieperiode Zodoende is er wat dat betreft niets origineels aan de huidige crisis bij de MR. Waarom verdient het conflict dan de aandacht van een analist? Het belangwekkende aan dit conflict is dat het ons iets vertelt over de politiek in België anno 2009, en met name over het ritme van de verkiezingen. Er is al veel geschreven over het verband tussen die overvolle kalender en de moeite die regeringen hebben om impopulaire beslissingen te nemen. Nu wordt ook het interne huishouden van de partijen daardoor aangetast.
Als er vier of vijf jaren liggen tussen twee verkiezingen, dan heb je tijd om een lange transitieperiode in acht te nemen tussen twee voorzitters, met een geanimeerde interne verkiezingsstrijd. Als je maar één of twee jaar hebt, dan is dat veel moeilijker. De partij is verlamd door de angst voor langdurige interne verdeeldheid. Dat hebben we onlangs ook gezien bij de sp.a, waar de rebellie tegen Caroline Gennez snel de kop werd ingedrukt. We zien het bij Open Vld en cdH, waar de interne voorzittersverkiezingen erg gecontroleerd verlopen.
De MR bevindt zich in dezelfde situatie. De Franstalige liberalen controleren het debat over het voorzitterschap van hun partij minder strikt, maar ze hebben dezelfde schrik voor de volgende verkiezingen in 2011. Zowel de voor- als de tegenstanders van Reynders aarzelen om zich in een strijd te werpen die kan duren tot de volgende verkiezingen. Ze zijn het er niet over eens wie aan het hoofd van de partij moet staan, maar kunnen elkaar wel vinden in de noodzaak om niet al te lang verdeeldheid te manifesteren op het publieke forum. Het risico is dat de partij niet klaar zal zijn voor de volgende verkiezingen.
Los van zijn banaliteit werpt het interne conflict dus opnieuw de kwestie op van het samenvallen van de federale en regionale verkiezingen. Die voortdurende campagnesfeer veroorzaakt spanningen in het politieke spel zowel tussen de partijen onderling als binnen de partijen zelf. Het politieke spel in België zal zich moeten aanpassen aan dat nieuwe gegeven of moeten nadenken over een redelijker electorale kalender. Maar die keuze moet de wetgever maken, niet de politicoloog.