dm UPDATE De komende dagen volgt de muziekredactie van De Morgen de belangrijkste bands op Pukkelpop 2012. De grootste bands en strafste tips vind je in het 'parcours' dat elke redacteur gedurende drie dagen aflegt. Hier: het parcours van Pieter Coupé donderdag.
Twaalf man op het podium: om dat tot een goed einde te brengen moet je stevig repeteren. Dat hebben The Bony King of Nowhere & Friends (****) ongetwijfeld ook gedaan, en toch klonk hun concert spontaan en ongedwongen. Alsof je beland was op een feest in de jaren zeventig, in de tuin bij iemand van The Band, en er lukraak wat instrumenten waren bovengehaald.
Opvallend ook hoe zo'n uitgebreide groep de broze liedjes van The Bony King geheel in hun waarde liet. Geen grote gebaren, alleen subtiele accenten die de songs zachtjes maar duidelijk naar een hoger niveau tilden. Zo kleurde Douglas Firs het nieuwe 'Lonesome Girl' bij met een krullerige twanggitaar, en schitterde het achtergrondkoor (met An Pierlé en Esther Lybeert) in 'The Stranger'.
Drie keer kneep The Bony King ons de keel toe: in 'The Poet', dat terecht het luidste applaus kreeg; in "Some Are Fearful' , waarin een beklemmende banjo opklonk; en in 'Tonight Wil Be Fine', de cover van Leonard Cohen waarmee The Bony King afsloot. "All of my loved ones are here with me today", had hij voordien al gezongen, en de op dit vroege uur al goed gevulde Marquee gaf hem gelijk. Wedden dat er volgende keer nog veel meer 'loved ones' staan?
Catchy synthdeuntjes
Te onbekende band? In ieder geval: weinig volk in de Wablief?! bij Great Mountain Fire (***) om 15u45. Jammer, want deze vijf Franstalige Brusselaars stonden scherp. De catchy synthdeuntjes, bolle baslijntjes en fijngeknepen gitaarriffjes vlogen ons zo snel om de oren dat we maar één keuze hadden: dansen, hoe heet die tent ook was.
Pas toen de band met 'It's Alright' een traag nummer inzette, kregen we tijd voor bedenkingen. Dat hun dancerocksongs wel erg hard leunden op leuke effecten en gekke geluiden, bijvoorbeeld. En dat ze het tempo maar beter hoog hielden wilden ze ons bij de les houden. Dat lukte weer wel met de Devo-cover 'Jerkin' Back 'n' Forth', die alles deed wat de titel beloofde, en met hun eigen single 'Crooked Head', waarbij zowat het hele podium een percussie-instrument werd. In het laatste nummer lieten ze punkgitaren botsen met discobeats: heel even waanden we ons in een vochtige New Yorkse kelder anno 1979, waar de laatste punkfunksensatie ten dans speelde. Bleek dat 'It's Alright' dan toch niet zo'n onzin.
Monochroom minimalisme
Vluchtige melodieën, ijle zanglijnen en Italo disco-sferen, maar dan zonder de frivolitieit die je met dat laatste genre associeert: nee, zo neergeschreven leek Chromatics (16u35, Castello, ***) niet meteen een winnende formule beet te hebben. En toch wist deze band uit Portland je warm te maken voor zijn onderkoelde geluid. Meer zelfs: achter de grauwsluier die over de songs hing, onder al dat monochrome minimalisme, lichtten voortdurend flarden van perfecte pop op.
In 'Kill for Love' galmde de zang van ijskoningin Ruth Radelet door de muziek - het klonk even stijlvol als haar gracieus opwaaiende haren eruitzagen (met dank aan een strategisch geplaatste ventilator). 'Night Drive' bleek de perfecte soundtrack voor een nachtelijke autorit met alleen een fles sterke drank als gezelschap. En de opgevoerde liveversies van 'In the City' en 'Back from the Grave' bereikten met een minimaal geluid een maximaal effect. De kracht van de suggestie heet zoiets: hoe minder Chromatics zijn songs opsmukte, hoe groter de respons was. Toen Radelet wanhopig "I want your love" smachtte in het gelijknamige nummer, kreeg ze die dan ook meteen van het publiek.
Jammer dus dat Chromatics zich op het eind vertilde aan Kate Bush' 'Running Up That Hill": hun hipsterversie van die klassieker bleek te banaal voor woorden. Gelukkig sloten ze af met hun mooie versie van Neil Youngs 'Into the Black' en hoorden we weer die kille tristesse waarin het heerlijk zwelgen was.
Psychedelische positivo's
Wat een verschil met Django Django (Club, 18u30, ***), vier positivo's die onder het motto 'Life's a Beach' veelkleurige, licht psychedelische pop brachten. Prachtig hoe pompende beats en allerlei vreemdsoortige percussie de zweverige melodieën in 'Hail Bop' en 'Waveforms' bij de teugels hielden.
Met ronkende bassen bouwde de groep op naar 'Default', dé song waar iedereen op wachtte en waarbij de tent finaal ontplofte. Meteen waren de flauwe jams 'Storm' en 'Skies over Cairo' vergeten.
Sulletjes worden heersers
Vier keer al stond Hot Chip (20u, Marquee, ****) in Kiewit en evenveel songs hadden deze dancenerds nodig om echt 'Ready for the Floor' te geraken. Na een start met de handrem op - waarom hadden ze 'Boy from School' in godsnaam zo dramatisch vertraagd? - kwam de band op stoom in 'Night And Day'.
"Do I look like a rapper", vroeg zanger Alexis Taylor zich in dat nummer af, waarna hij in 'Flutes' zijn innerlijke R. Kelly helemaal losliet en zich liet betasten door de meisjes op de voorste rijen. Daarmee waren alle remmingen weg: verenigt Hot Chip op plaat de melancholie van de eenzame slaapkamer met de euforie van de dansvloer, dan overheerste op Pukkelpop duidelijk dat laatste. 'How Do You Do' knalde uit de boxen als opgenaaide electrofunk en in 'I Feel Better' croonde Taylor over ouderwets opbeurende housebeats.
Toen 'Ready for the Floor' en 'Everywhere' van Fleetwood Mac met elkaar versmolten alsof ze altijd al samenhoorden, kon maar één conclusie volgen: de sulletjes van de speelplaats zijn de hippe heersers van de dansvloer geworden.
Strijdvaardig en dansbaar
De revolutie is niets waard als je er je booty niet op kunt shaken: tUnE-yArDs (00.45, Club,***) maakt muziek met die gedachte in het achterhoofd. Hun concert klonk dan ook even strijdvaardig als dansbaar. Terwijl frontvrouw Merrill Garbus haar eigen gesamplede en geloopte zang door de tent liet dwarrelen, zorgde ze tegelijk voor een ritmische fond met minimale drumslagen.
Soms pakte dat wat rommelig uit, zoals in het nodeloos lang gerekte 'Powa'. Maar in 'Gangsta' en 'Kinda' viel Garbus' ongekunstelde ukulele- en percussiespel mooi samen met de saxofoons van Matt Nelson en Noah Bernstein. Resultaat: een rauw en opwindend feest dat klonk alsof een stel pygmeeën met The Clash-nummers aan de haal ging.
Dat de Club nauwelijks voor de helft was gevuld, kon Garbus niet schelen. In 'Es-So' zette ze een keel op alsof ze een uitverkochte AB voor zich had en 'Bizness' slingerde ze met doodsverachting de tent: "Come take my life away", klonk het dan ook onverbloemd. 'My Country' was een weerbarstige ode aan haar vaderland, met een tekst vol gemengde gevoelens, waarop het publiek niettemin onverdeeld extatisch reageerde. Op een paar slordige songs na was tUnE-yArDs primitief en intrigerend. Precies zoals de oorlogskleuren die Garbus op haar gezicht had geschilderd.

© 2013 De Persgroep Digital - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in Nederland www.volkskrant.nl.