Suede geldt als één van de belangrijkste -én populairste- exponenten uit de Britpopbeweging van halfweg de jaren negentig, maar op de Lokerse Feesten bleek dat het publiek snel vergeet.
Groot-Brittannië, 1993. Suede is de hype van het moment en haalt moeiteloos alle voorpagina's. Dat heeft deels te maken met de androgyne looks van zanger Brett Anderson, die in interviews verklaart dat hij 'een bi-sexueel is die het nog nooit met een vent heeft gedaan'.
De muziek klinkt luid, opwindend, en refereert expliciet naar de glamrock van David Bowie in diens Jean Genie-periode. Bowie zélf blijkt -net als Morrissey, die Suede covert- een fan, wat de media-aandacht nog aanwakkert. Als ook Blur, Pulp en Oasis doorbreken krijgt deze nieuwe lichting jonge Engelse bands al gauw het label Britpop opgekleefd. Suede brengt na het succesvolle debuut met Dog Man Star, Coming Up en Head Music nog enkele uitstekende platen uit, maar in 2002 is de groep opgebrand. De vijf staan niet langer in het brandpunt van wat er gaande is in de popmuziek, en gaan gedesillusioneerd en uitgeblust elk hun eigen weg.
Sindsdien maakt zanger Brett Anderson -de enige die niet in de anonimiteit verdwijnt- alsmaar pastoraler klinkende soloplaten voor een alsmaar selectiever publiek. Tot vorige zomer de onvermijdelijke comeback komt. Suede was altijd al een gedreven liveband, en de terugkeer naar het concertcircuit wordt warm onthaald. In het Koninklijk Circus onderstreept de groep eind vorig jaar dat dit een reünie is die niet alleen door financiële motieven wordt ingegeven, en ook in Lokeren gooide het Londense vijftal zich woensdagnacht helemaal. Maar een volksverhuizing zoals The Beach Boys die de dag voordien teweeg brachten zat er niet langer in. Plaats zàt op de Grote Kaai.
Nochtans: aan inzet geen gebrek. En de setlist - een greatest hits met links en rechts een zijsprongetje om ook de die hards gelukkig te houden- wass er ééntje waar weinig op viel af te dingen. Maar de hysterie die Suede vroeger losmaakte leek voorgoed voorbij. Dat kon ook met de ellendige geluidsmix te maken hebben, want wat je hoorde stemde lang niet altijd overeen met wat je zag. 'Introducing The Band' klonk flets en kleurloos, maar zelfs het venijnige 'Trash' -doorgaans een uppercut die het publiek in één klap knock out mokert, bracht nauwelijks reactie teweeg. Anderson - van kop tot teen charisma, en op z'n vierenveertigse gracieus ouder geworden- gooide zich helemaal en balanceerde als vanouds op de monitors. En ook gitarist Richard Oakes speelde van begin tot eind zichtbaar met vuur in de vingers. Maar hoe hard de groep ook probeerde, het geluid bleef hardnekkig dwars liggen. Naarmate de set vorderde haalde Anderson ook lang niet altijd de hoge noten, waardoor 'The Wild Ones' een beetje de mist in ging. Veel verder dan de eerste twintig rijen reikte hij sowieso niet, en dat was jammer.
Heel af en toe werd slaagde Suede er toch in om boven de middelmaat uit te komen. 'Can't Get Enough' spatte als een splinterbom uit elkaar, 'Animal Nitrate' vatte het momentum van twintig jaar geleden weer even, en het als bisnummer opgespaarde 'Saturday Night' - nog steeds een huiveringwekkende ballad, met Anderson in het publiek- gaf aan dat er veel méér had ingezeten. Maar toch: je voelde dat de jongere generatie festvalgangers er weinig voeling mee had. Een moeilijk geval, dus. Goeie groep, goeie setlist, charismatische zanger. En toch: een erg matig optreden.

© 2013 De Persgroep Digital - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in Nederland www.volkskrant.nl.