Momenteel leidt een korte zomertour Portishead langs fabelachtige concertlocaties in Europa. Een kasteel in Verona. Een hippodroom in Rome. Een Romeins theater in Wenen. En dinsdag ook het Rivierenhof in Antwerpen.
Daar nam het Bristolse triphoptrio tegelijk revanche voor hun laatste passage in ons land. Na een ontgoochelende acte de présence op Rock Werchter - die de nek werd omgewrongen door vinnig daglicht en onverschillige Coldplayfans - had Portishead nog een magistraal concert te goed.
Dat het feeërieke decor van het Rivierenhof zich daar perfect toe zou lenen, kon je eigenlij vooraf al raden. De vraag naar kaartjes bleek dan ook liefst vier keer zo groot als het aanbod, wat de organisatie van het Openluchttheater heel wat hoofdbrekens en kritiek van teleurgestelde fans opleverde. Nu, daar was dinsdagavond geen spat meer van te merken bij de lucky few die zich van een kaartje verzekerd zagen.
In het Rivierenhof tastte de zeskoppige livegroep dan ook de randjes van de perfectie af. Zo vond Portishead de gulden middenweg tussen fragiele schoonheid ('Roads') en industriële brutaliteit ('Machine Gun'). Een andere keer vonden beiden elkaar zelfs in één en dezelfde song: de plotse break in het ontroerende 'Glory Box' klonk nooit eerder zo hard en synthetisch. Loerde dubstep zelfs niet even om de hoek?
Dat het leeuwendeel van de fans afgezakt was om hun legendarische triphopdebuut Dummy integraal te horen, merkte je aan de bijna hysterische publieksreacties na 'Mysterons', 'Sour Times' of een uitgepuurde en rauwe herwerking van 'Wandering Star'. Daarin nam een sombere bas de handschoen op tegen gitaar en de zang van Beth Gibbons - een stem die nog wanhopiger klonk dan in het origineel. Je zou denken dat de tranen na achttien jaar opgedroogd zijn, maar nee: Gibbons bracht de songs nog steeds alsof haar wereld uitsluitend uit herfsten en winters bestond. Met haar hoofd diep tussen de schouders verschanst, leek ze voortdurend te schuilen voor een denkbeeldige plensbui. Of een innerlijke springvloed: geen idee wat er tijdens dit concert in haar gedachten omging, maar je kon je er beter niet in wagen zonder regenjas en zuidwester.
Los van die collectieve nostalgie, klonk het materiaal van de laatste langspeler Third niettemin even sterk. In een overweldigend 'Machine Gun' deden de diepe subbassen je hartkleppen daveren en broekspijpen wapperen - géén overdrijving. 'Hunter' en 'The Rip' hulden het Openluchttheater dan weer in een onheilspellende stilzwijgen. En de superieure uitsmijter 'We Carry On' slaagde erin om tegelijk aardedonker én euforisch te klinken: dat Gibbons, net als in Vorst, even het podium verliet om de fans op de eerste rijen te bedanken, maakte de intieme sfeer compleet.
In tegenstelling tot dat concert uit 2008, blijft een vijfde ster dit keer toch achterwege. Niet omwille van de uitvoeringen - die waren sinds de vorige passage namelijk nog méér op punt gesteld - en al zeker niet omwille van de setting die bijdroeg tot de ultieme magie.
Wél omdat de setlist amper verschilde met de vorige Belgische concerten, en ook omdat je geen sneak peek op nieuw materiaal werd gegund. Momenteel werkt het Bristolse trio nochtans aan z'n vierde plaat in achttien jaar. Maar de meest recente song in de set, 'Chase The Tear' bleek alweer twee jaar oud, en was met z'n weinig avontuurlijke eightiessound bovendien de minst overtuigende noot van de avond. Ach, die lichte smet dekte je wat graag met de mantel der liefde toe.
Met dit meesterlijke concert wilde je zelfs vergeven dat de groep vertelde dat het nog jaren kan duren voor een nieuwe langspeler wordt uitgebracht. Zolang we ons eens in zoveel tijd kunnen warmen aan dezelfde tijdloze klasse die Portishead dinsdag toonde, hoor je ons geen piep geven.

© 2013 De Persgroep Digital - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in Nederland www.volkskrant.nl.