22/08/10 09u15
Nosaj Thing (Foto Marc Gysens)
Recensent: Pieter Coupé (30). Aantal edities Pukkelpop: 11. Beste plaat aller tijden: Deserter's Songs (Mercury Rev). Meest compromitterende plaat in de collectie: Equinoxe (Jean-Michel Jarre).
Gitaren geselen: Cymbals Eat Guitars *** Van alle groepen die in de afgelopen jaren de gruizige gitaarrock van de jaren negentig nieuw leven inbliezen, is Cymbals Eat Guitars veruit de meest ambitieuze. Dat hoorde je ook zaterdagmiddag in de Club, waar deze Amerikaanse band door zijn debuut Why There Are Mountains raasde.
Terwijl frontman Joseph D'Agostino zijn gitaar geselde tot hij droop van het zweet, klonk wat je hoorde minstens even intens. In een song als 'And the Hazy Sea' zitten zoveel ideeën, noise-uithalen en tempowisselingen dat heel wat andere bands er drie nummers van zouden maken. Dat Cymbals Eat Guitars dit niet doet en daar toch mee wegkomt, siert hen.
Wat ons wel verontrust, is dat de twee nieuwe nummers die de band speelde, verbleekten bij de epische tracks uit hun debuut, genre 'Cold Spring' en 'Indiana'. Toonde de groep zich daarin als een spitante kruising van Pavement en Built to Spill, dan klonk het nieuwe werk plots erg suf. Afwachten wat die tweede plaat brengt, dus.
Zonovergoten visioenen: Toro Y Moi *** Na de afzegging van Washed Out was Toro Y Moi de enige chillwave-groep op Pukkelpop. Dit ultrahippe genre is al te vaak een excuus voor fletse electropop, maar in de Chateau liet Chazwick Bundick, versterkt met een drummer en een bassist, wel een goede indruk na. Aanvankelijk leek het echter mis te gaan: na twee slome nummers met neuzelzang vreesden we dat Toro Y Moi een Hot Chip op halve kracht was.
Toen de band de iets meer uptempo nummers uit zijn debuut Causers of This opdiepte, kregen we alsnog een opzwepend concert dat mooi schipperde tussen eightiespopbeats en shoegazeruis. De visioenen van zonovergoten stranden die Toro Y Moi zo opriep, dreven de temperatuur nog op in een sowieso al bloedhete Chateautent.
Beats voor het hoofd en de benen: Nosaj Thing **** Nosaj Thing, de artiestennaam van de beatbricoleur uit L.A. Jason Chung, stond moederziel alleen met zijn laptop op het podium van de Chateau. Dat weerhield hem er niet van om de hele tent te doen knetteren van energie, met een mix van eigen werk, remixen en stukken uit andermans songs.
Zo injecteerde hij zijn eigen elektronicatracks uit de cd Drift met enkele dosissen Busta Rhymes ('Dangerous') en Portishead ('Wandering Star'). Die ingreep hield ons aan het dansen terwijl Chungs eigen minimalistische elektronica onze kop op hol bracht met zijn verwijzingen naar Kraftwerk en Autechre.
Ergens halverwege dreigde de set even te verzanden in gepiel met knopjes en schuifjes, maar dat zweverige intermezzo bleek gewoon een kleine pauze om opnieuw snoeihard te kunnen uithalen. Nosaj Thing snerpte en sneed door de Chateau, en verknipte zelfs 'Islands' van The xx tot een scheurende dubsteptrack.
Na Four Tet stond er met Nosaj Thing opnieuw een laptopact op Pukkelpop die aan het hoofd én de benen appelleerde. En dan moet Flying Lotus, wiens 'Camel' hier ook even door boxen knalde, nog komen.
Gezellig grooven: Sleepy Sun ***Wie de vintage Orange-versterkers, het veel te grote hemd en de borstelsnor van frontman Brett Constantino zag, en de Led Zeppelin- en Grateful Dead-T-shirts in het publiek opmerkte, wist genoeg: Sleepy Sun uit San Francisco serveert slepende seventiesrock die raakvlakken vertoont met Black Sabbath (de logge gitaren) en Fairport Convention (de samenzang van Constantino en Rachel Fannan).
Gelukkig bleven ze niet steken in een puur retrogeluid, dankzij een scherp vleugje Yeasayer-psychedelica.
Zo mondde het stonede openingsnummer van hun set in de Club uit in een woeste oerwoudjam - maraca's incluis! - en kregen ook 'Voices' en 'Open Eyes' exotische ritmes mee.
Op de akoestische miskleun 'Ooh Boy' na was het dan ook gezellig grooven met Sleepy Sun. Black Mountain heeft er een te duchten concurrent bij. Far out!
Dramatisch dieptepunt: Gonjasufi *Sumach Ecks, een Amerikaan met Mexicaanse en Ethiopische roots, heeft als Gonjasufi een van de intrigerendste platen van 2010 gemaakt. Op Pukkelpop bleef echter geen spaander heel van de breekbare mystiek die A Sufi and a Killer uitstraalt.
Gonjasufi liep op het podium van de Chateau rond alsof hij geen idee had hoe daar verzeild was geraakt, stond vaak voorovergebogen alsof hij een toeval kreeg en murmelde een eind weg in zijn micro, waarbij hij klonk alsof hij vanuit een diep hol aan het zingen was, terwijl een deejay kapotte hiphop en dito dub uit zijn machinerie haalde. Na wat gejammer over "mijn favoriete microfoon" en "technische problemen" verdween Gonjasufi minutenlang van het podium om dan doodleuk terug te komen met wat T-shirts die hij in het publiek gooide. Ook daarna was het concert "chaos, total chaos", zoals een sample herhaalde, met compleet verneukte versies van 'Sheep' en 'She's Gone'.
Op het T-shirt van Gonjasufi, die er eigenlijk uitzag als een zwerver, prijkte een portret van Robert Johnson, de bluesman die zijn ziel aan de duivel zou hebben verkocht om perfect gitaar te kunnen spelen. Het valt te vrezen dat Gonjasufi een pact met de verkeerde sater heeft gesloten. Een dramatisch en onverwacht dieptepunt van deze feestelijke Pukkelpopeditie.
Visionaire geschiedenisles: Flying Lotus****Met Flying Lotus alias Steven Ellison waren we aan onze derde laptopper van deze Pukkelpop toe. In tegenstelling tot de meeste van zijn collega's, die er achter hun computer bij staan alsof ze de strijk aan het doen zijn, spat het spelplezier er bij Ellison af. Met een grijns van oor tot oor stond hij in de Chateau te dansen en leek hij zijn muziek beat voor beat uit zijn machinerie te sleuren. Het zweet gutste al snel van zijn voorhoofd.
Nochtans was hij minder goed begonnen. Zijn experimentele elektronica, opgebouwd uit geluiden die andere laptopartiesten stante pede in hun digitale prullenbak zouden keilen, bleef in de eerste tien minuten live niet overeind. Die valse start wist FlyLo echter snel om te zetten in een vliegende vaart, waarbij hij in duikvlucht langs alle vernieuwende, zwarte dansmuziek van de voorbije vijf decennia scheerde. We hoorden opgepepte soulstemmen gekoppeld aan hortende drum-'n-bass; freejazzblazers in de clinch met dubstepbassen en gemuteerde funk die overging in dreunende Detroit techno. Heel even kregen we zelfs een wolkbreuk van spacedisco over onze kop en als toemaatje serveerde Ellison ons nog een staalkaart van alle subgenres in de hedendaagse dancescene.
Hiphop blijft evenwel Flying Lotus' eerste liefde, die hij dan ook tot tweemaal toe in de micro beleed, maar dat belette hem geenszins om het genre geheel binnenstebuiten te keren ('Camel') en zo drastisch te vernieuwen dat hij lichtjaren voor zit op de concurrentie ('Do the Astral Plane').
Het Chateaupubliek bedankte deze bevlogen artiest voor zijn visionaire geschiedenisles met een dansfeest dat de condens van het tentzeil deed druipen.
Weldadig geluidsbad: Jaga Jazzist ****De negen muzikanten van Jaga Jazzist hadden niet alleen het meest uitgebreide instrumentarium van de voorbije 25 jaar Pukkelpop mee, ze wisselden ook bij zowat elk nummer van blaas- of slaginstrument. Deze Noorse virtuozen houden dan ook het midden tussen een kamerorkest, een jazzcombo en een rockband.
Aangevuurd door de van een indrukwekkende rosse baard voorziene Andreas Mjøs stuurde dit collectief warmbloedige jazz de Chateau in, die met de rode gloed en de oplichtende letters 'BAR' op het podium de aanblik bood van een bruine kroeg in Oslo waar je bij toeval komt binnengewaaid tijdens een avondwandeling door de achterbuurten van de stad.
De uitgebreide blazerssectie, die 'Bananfluer Overalt' en 'Day' mooi inkleurde, vormde de voornaamste troef van deze Noren, maar ook de slagwerkers waren bepalend voor het geluid. Hun inventieve ritmes deden Jaga Jazzist zelfs boven grote voorbeelden Tortoise uitstijgen. Toen het tempo bij 'Touch of Evil' drastisch de hoogte inging, waanden we ons in een achtervolgingsscène uit een Scandinavische krimi.
Jaga Jazzist gaf ons niet alleen 'Music! Dance! Drama', zoals een van hun songs heet, maar waren evengoed een weldadig geluidsbad voor onze oren na zoveel luide beats en gitaren. Dat ook de band het erg naar zijn zin had, toonden ze door slotsong 'Oslo Skyline' voor de gelegenheid om te dopen tot 'Pukkelpop Skyline' en die meteen te voorzien van spetterend muzikaal vuurwerk.