Een cordon sanitaire om de Nederlandse literatuur

Door: redactie − 09/11/07, 09u13

Deze week vroeg een Roemeense journalist aan mij of een schandaal goed was voor een boek. Hij doelde op het minischandaaltje dat indertijd door Nederland ging toen men vermoedde dat ik boeken schreef onder het heteroniem Marek van der Jagt, maar dat nog niet zeker wist.

Ik antwoordde 'nee' en ik dacht aan de commotie die in de jaren tachtig was ontstaan toen een tamelijk onbekende regisseur in Amsterdam Het vuil, de stad en de dood van Fassbinder wilde opvoeren. Harry Mulisch hield het indertijd bij een bondige reactie. Dat Fassbinder zelfmoord had gepleegd en dat hem dat sierde.
Ik dacht aan Mystiek lichaam van Frans Kellendonk. De discussies over dat boek werden voornamelijk gevoerd door mensen die het boek niet hadden gelezen, hooguit wat citaten in de krant. Een citaat leest nu eenmaal makkelijker weg dan een heel boek.

Ik dacht aan recente schandaaltjes in literair Nederland die surrealistisch van aard waren. Een literair schandaal in de lage landen zonder de beschuldiging van antisemitisme is per definitie surrealistisch van aard.

Eerst was daar Jeroen Brouwers die een belangrijke prijs weigerde omdat het prijzengeld wat hem betreft een fooi was. Als ik zijn adviseur was geweest, had ik hem dringend geadviseerd de prijs niet om die reden te weigeren. Er moeten toch betere reden te bedenken zijn om een prijs te weigeren. Deze week schreef ik in de Humo dat ik bereid ben de heer Brouwers financieel te ondersteunen, opdat hij in de toekomst geen prijzen meer hoeft te weigeren. Dat aanbod kan ik op deze plaats alleen herhalen.

Dan was er een schandaaltje waarbij ik zelf betrokken was.
Vanaf 2001 schrijf ik in de Humo wekelijks een brief aan bekende en minder bekende personen, soms ook aan schrijvers naar aanleiding van hun werk. Een enkele keer ben ik positief, dan weer wat kritischer.
In 99 procent van de gevallen bestaat de reactie uit stilte. Daarmee heb ik leren leven, ik ben er op den duur zelfs verknocht aan geraakt.
Begin deze herfst schreef ik een brief aan A.F.Th. van der Heijden, naar aanleiding van zijn novelle Mim. Ik had al eerder aan hem geschreven naar aanleiding van zijn dagboeken. Zijn reactie bestond uit een opmerking in een interview met Humo: dat ik zijn public relations zo kunstig verzorgde.

Een aantal recensenten vond Mim een prachtige novelle. Ik niet. Er viel iets recht te zetten, meende ik, en dat deed ik.
Kort daarop werden de heer Van der Heijden en ik allebei genomineerd voor de Ako-prijs. Zoiets kan gebeuren. Je weet het nooit met die jury's.

Bij de verplichtingen die dit jaar aan de Ako-prijs kleefden, hoorden een optreden in het programma Pauw & Witteman. In Nederland geldt dit programma als een serieus praatprogramma, ik zou het willen omschrijven als een naargeestige parodie op een talkshow.

De heren Pauw en Witteman stelden mij wat obligate vraagjes en confronteerden mij vervolgens met een woedende Adri van der Heijden die een paar dagen daarvoor in het programma te gast was geweest. Van der Heijden had het over karaktermoord. Niks geen kunstige public relations meer die ik zo vriendelijk was voor hem te verzorgen.
Ik schreef vervolgens een brief aan de heren Pauw en Witteman waarin ik me afvroeg of het nodig is om een oudere schrijver met een behoorlijke staat van dienst zo te kijk te zetten. In dezelfde brief twijfelde ik aan de geestelijke gezondheid van de heer Van der Heijden en ik merkte op dat hij een zoon heeft. Iets wat iedereen die bijvoorbeeld zijn dagboeken heeft gelezen, kon weten.
Stilte volgde. Wat kan stilte heerlijk zijn.

Tot de vrijdag voor de prijsuitreiking.
Toen schreef de heer Van der Heijden een groot stuk op de opiniepagina van de Volkskrant, alsof er niets belangrijkers in de wereld gebeurde, dat hij onmogelijk met mij in één ruimte aanwezig kon zijn, laat staan met mij aan één tafel zitten.
Als Rabin en Arafat elkaar de hand konden schudden, dan zouden Van der Heijden en ik het wel met elkaar uithouden in een zaaltje, had ik gedacht.

Maar kennelijk had ik iets gedaan dat verder ging dan het doden en verwonden van burgers.
Ik had in het openbaar verkondigd dat ik een boek van een collega erg slecht vond en daar argumenten voor aangevoerd. Ik had vervolgens getwijfeld aan de geestelijke gezondheid van die collega.
Had ik maar geschreven dat Wolkers en Mulisch dienen te worden doodgeknuppeld in een concentratiekamp, zoals Reve deed in de jaren tachtig. Want dat is ironie.

Had ik het seksleven van mijn opponent maar in verband gebracht met Mengele of een gaskamer, zoals de voorvechter van het vrije woord Theo van Gogh gewoon was te doen.
Had ik het maar over moslims gehad, want over moslims mag je in Nederland alles zeggen. Hoe erger hoe beter.

Daarom was er ook geen enkele discussie over de aanwezigheid van Rita Verdonk tijdens de prijsuitreiking afgelopen maandag. In Nederland is het normaal dat een literaire prijs gebruikt wordt om de oprichtster van de beweging Trots op Nederland extra aanzien te verlenen.

Waarover werd gesproken waren mijn motieven voor het schrijven over Mim. Was het vadermoord of was ik boos omdat recensenten niet hadden gezien dat ook in mijn roman De Joodse Messias iemand werd gefrituurd? Wat mijn motieven ook waren, ze konden niet deugen.
Aangezien ik voor assimilatie ben, zal ik mij aanpassen aan de zeden van de Nederlandse literatuur.

Vanaf nu zal ik over Nederlandse collega's zwijgen en mij beperken tot een beleefde glimlach.
Ook wil ik niet het risico lopen dat ooit nog iemand vanwege mijn aanwezigheid apart moet dineren of voortijdig de zaal moet verlaten.
Nooit zal ik meer aanwezig zijn tijdens literaire activiteiten in Nederland.

Indien gewenst kan mijn uitgever mij vertegenwoordigen. Uitgevers zijn hoe dan ook mensen die met graagte en bij voorkeur met enige regelmaat op televisie verschijnen.
Als het om Nederland gaat beschouw ik mijzelf als een schrijvende dode en zoals Mulisch al over Fassbinder opmerkte: deze dood siert mij.

Ik trek een cordon sanitaire om de Nederlandse literatuur, opdat het nog lang gezellig kan blijven in die literatuur.

Arnon Grunberg

mailIcon print | Meer bookmarks |
Aan het laden...