Als je alles kan, kan alles

20/03/08, 11u31
Hugo Claus heeft geen enkel zwak gedicht geschreven. Alsof een atleet niet alleen elk onderdeel van de tienkamp beheerst, maar ook nog eens onklopbaar blijkt in zakdoek leggen, kleurenwiezen, petanque en schaak.

De poëzie mag dan al het allerhoogste zijn, ze is natuurlijk niet heilig. Toen Paul Bogaert, Bart Meuleman en ik enkele jaren geleden voor Behoud de Begeerte het volksopvoedende programma Het Schone Geheim der Poëzie maakten, wilden we graag ook dat punt illustreren. Ons uitgangspunt: gedichten kunnen altijd nog verbeterd worden. En dat zouden we dus even demonstreren aan de hand van de gedichten van Hugo Claus.

Niet om hem belachelijk te maken natuurlijk (hoogmoed te denken dat dit überhaupt mogelijk is), maar omdat hij zozeer boven elke kritiek verheven stond dat alleen al onze poging enige dramatische spanning met zich zou brengen op een podium. En misschien toch ook wel omdat we dachten: in die meer dan duizend gedichten zit vast ook wel eens een mank vers, een mislukte metafoor, een gerateerd rijm.

Ondanks zijn ongekende status werd dat over veelschrijver Claus overigens vaak beweerd: hoge pieken, maar ook wel diepe dalen. En dus doorploegde ik systematisch de verzamelde gedichten op zoek naar dat ene mislukte gedicht waar ik, mindere god, misschien wel verbeteringswerken aan zou kunnen uitvoeren. Het werd een ontnuchterende leeservaring. Deze, op zijn zachtst gezegd ongebruikelijke manier van lezen leerde mij dat Claus eigenlijk geen enkel zwak gedicht heeft geschreven. Uiteraard vond ik ze niet allemaal even goed of interessant, maar binnen de geplogenheden en beperkingen van de verschillende soorten poëzie die hij bedreef maakte hij er telkens opnieuw letterlijk en figuurlijk het beste van. Er bestaat geen spel of Claus excelleerde erin.

Die ongekende variatie, die kennis ook van alle mogelijke variëteiten is een belangrijke eigenschap van zijn dichterlijk oeuvre: experimentele gedichten, sonnetten, acrostichons, knittelverzen, intertekstuele lappendekens, rijmende kunstkritiek, bewerkingen van bekende en onbekende meesters, vriendschappelijke odes, hartverscheurende in memoriams, bijtende protestlyriek en ironisch gelegenheidswerk... hij deed en kon het allemaal.

Superrederijker


Dat leidde af en toe tot de opmerking dat Claus een soort superrederijker was: een verbluffend technisch vermogen, maar weinig ziel, weinig Mensch. Een misschien begrijpelijke kritiek (zeker ook gezien Claus' gecultiveerde ongrijpbaarheid), maar in wezen onterecht. Achter de façade van die fabelachtige techniek en dat onwereldse lyrische vermogen bevond zich iemand die het spel volslagen ernstig nam en die, bovenal, lezers tot in het diepst van hun ziel, hersenschors en hormonale huishouding kan treffen. De poëzie van Claus is afwisselend (en soms zelfs tegelijkertijd) slim, geil, ontroerend, betoverend, overrompelend en kwetsbaar.

De allervroegste, ongepubliceerd gebleven verzen tonen een soms nog wat klunzige, maar ook dan al zoekende zestienjarige. In Het verdriet van België beschrijft hij hoe zijn alter ego Louis niet langer gebruik wil maken van het poëtische vocabulaire dat hij kende uit het Breviarium der Vlaamse lyriek. De dichter laat zich inspireren door de groten uit de historische avant-garde ("de versplinterde kubisten, expressionisten, al die tisten"), later ook door Antonin Artaud en de bebop. Nauwelijks twintig schrijft hij klassiek geworden gedichten als 'West-Vlaanderen' en 'April in Paris'.

Wanneer zijn eerste onbetwistbare meesterwerk De Oostakkerse gedichten verschijnt (1955) heeft het experimentalisme zich in de Nederlandstalige poëzie verspreid als een virus, als een ziekte. Claus, contrair geboren, verzet er zich scherp tegen en koketteert tot ontsteltenis van zijn avant-gardistische vrienden met de negentiende-eeuwse sonnettenschrijver August von Platen. Een geheiligd, bovenwerelds genre is de poëzie voor hem echter nooit. Als de Sovjets in 1957 de Spoetnik in de ruimte sturen, publiceert hij een speels-verwonderde ode in het dagblad Vooruit.

In de jaren zestig lijkt de lyrische eruptie even tot stilstand te komen. Claus probeert gedichten te schrijven die, zoals hij het zelf uitdrukt in een interview, "meer openbaar" zijn, minder opgesloten in de privéstolp. Een tijdje probeert hij zijn verschillende stemmen en registers te combineren - het lange gedicht 'Het teken van de hamster' (1963) is een hoogtepunt in dat opzicht - later laat hij ze naast elkaar bestaan. Zoals hij tegelijkertijd de experimentele roman Schaamte en de pseudopulproman Het jaar van de kreeft uitbrengt (1972), publiceert hij het hermetische Heer Everzwijn naast het spreektalige light verse van de bundel Van horen zeggen (beide 1970).

Grootste liefdesdichter ooit


Claus heeft met tancredo infrasonic (1952), Bericht aan de bevolking (1962), het jaaroverzicht 1965, de blasfemische cyclus tegen paus Johannes Paulus II Een weerzinwekkend bezoek (1985) en Lumumba's gebit (ca. 1999) zijn leven lang scherpe en meedogenloze politieke poëzie geschreven. Toch zal hij wellicht het meest herinnerd worden als de grootste liefdesdichter die we ooit hebben gekend. Van 'Ik schrijf je neer' ("Mijn vrouw, mijn heidens altaar", 1953) tot het slotgedicht van zijn Gedichten 1948-2004 ("Zij heeft de gedaante / van een aanbiddelijke rosse") bezong en bekreunde de dichter de liefde en de lust.

Geen zeemzoete romantiek echter, maar vleselijke, vaak vreselijke verzen over de doem van de klieren en de oerkracht van de bronst. Van de weergaloze cyclus 'Een vrouw' ("Een moeder, of een goede verrader, / Wie kent deze laaiende vrouw?", 1955) tot de verbrokkelde verstrengeling van Eros en Thanatos in 'Nu nog' (1982) gaf hij zich over terwijl hij wanhopig probeerde zichzelf te blijven. Die onmogelijke strijd - autonoom willen blijven en beseffen dat dit nooit helemaal kan - is niet alleen de rode draad van zijn werk, zijn koppige, obsessieve geschrijf hierover is misschien wel Claus' belangrijkste bijdrage aan onze cultuur die van vrijheid een absolute fetisj heeft gemaakt.

Onze grootste dichter sterft maar één keer en dus moeten we vooral niet terughoudend zijn vandaag: de onschatbare verdienste van Hugo Claus is dat hij in onze cultuur en (dus) ook in onze poëzie alleen maar deuren en ramen heeft geopend. Andere grote dichters (ook Van Ostaijen, ook Nolens, ook Van Bastelaere) zijn groot omdat ze bepaalde elementen uitsluiten (belijdenis of spel of zwans). Claus is groot omdat hij alles toelaat en alles kan. Een vrij dichter, een vrij man. Tot in de dood. (Geert Buelens)
mailIcon print | Meer bookmarks |
Aan het laden...