Wetstraat
Yasmine Kherbache

Gaan we voor angst en vernedering, of zetten we in op emancipatie en hoop?

Yasmine Kherbache is voorzitter en fractieleider van sp.a in Antwerpen.

©PHOTO NEWS
 
"Blijven we kiezen voor een ten dode opgeschreven model dat zegt 'Jij moet je aanpassen aan ons'?"
Yasmine Kherbache

Als samenlevingen de tweede generaties van migranten kansen bieden in het onderwijs en op de arbeidsmarkt, dan zetten die vanzelf een progressieve emancipatiegolf in gang. Blijven maatschappijen echter steken in het klassieke meerderheid-minderheidsdenken, dan stellen die minderheden zich conservatief op en plooien ze zich terug op traditionele, cultureel bepaalde waarden.

Vlaams Belang lanceerde vorige week in Antwerpen een precampagne in aanloop naar de verkiezingen. "We pleiten voor een nieuw samenlevingsmodel waarbij immigranten zich moeten inpassen in de Vlaamse, Europese leidcultuur", aldus Filip Dewinter. De laatste stuiptrekking wellicht van een klassiek riedeltje, dat ondertussen veel handiger verpakt en beter verkocht wordt door andere partijen: de minderheid moet zich aanpassen aan de normen en waarden van de meerderheid. Bekt goed, klinkt democratisch, maar werkt het ook?

Het is alleszins nonsens als je het op onze steden toepast, maakte de Nederlandse socioloog Maurice Crul duidelijk op een lezing in Antwerpen. In Antwerpen is ondertussen 42 procent van de bevolking 'allochtoon' (met een vader of moeder die geboren werd in een ander land). In de leeftijdscategorieën tot en met 30 jaar vormen zij de meerderheid van de bevolking. In Brussel liggen die cijfers nog hoger. Antwerpen en Brussel zijn of worden net als New York, Amsterdam en Toronto 'superdiverse' samenlevingen die zijn samengesteld uit een waaier van minderheden, inclusief de vroegere 'autochtone' meerderheidsgroep. Het klassieke meerderheid-minderheidsdenken is daar de facto voorbijgestreefd.

Front vormen
Hoe zorg je er in die steden - die alleen maar talrijker zullen worden - toch voor dat al die verschillende bevolkingsgroepen met hun eigen culturele gewoonten een front vormen dat fundamentele waarden zoals de gelijkheid van man en vrouw deelt en verdedigt? De verdienste van Crul is dat hij niet blijft steken in een theoretisch discours maar op zoek is gegaan naar praktische antwoorden. Hij voerde zes jaar lang een grootschalig onderzoek uit in grote steden in zeven Europese landen. Duizenden respondenten van zowel de klassieke autochtone 'meerderheidsgroep' als van de tweede generatie nieuwkomers werden geïnterviewd. Het gaat om het grootste Europees vergelijkend onderzoek in zijn soort.

Crul vergeleek de situatie van jonge Turkse Europeanen in al die landen met elkaar. De ondervraagde jongeren hadden allemaal dezelfde startpositie (geboren in Europa), dezelfde herkomst (ouders geboren in Turkije) en het betrof allemaal kinderen van laaggeschoolde arbeidersgezinnen. De onderzoeker vroeg zich af of die jongeren, die in verschillende landen in erg vergelijkbare omstandigheden aan de start kwamen, zich anders zouden ontwikkelen op sociaal-economisch vlak en of ze vervolgens ook andere maatschappelijke opvattingen zouden ontwikkelen.

Het antwoord op beide vlakken luidt ontegensprekelijk "ja". In Zweden stromen zes (6!) keer meer van die jongeren door naar academische opleidingen dan in Duitsland. Turkse jongeren in Duitsland zijn op 16-jarige leeftijd gemiddeld de vroegste schoolverlaters van Europa. De meisjes nemen meteen een traditionele zorgtaak op in het gezin. Ze worden voorbereid op "hun rol als echtgenote" en bijna de helft van de jonge Duits-Turkse meisjes betreedt nooit de arbeidsmarkt.
De ondervraagde jongeren in Stockholm komen - dankzij hun gedegen opleiding - veel vaker terecht in leidinggevende posities dan in Berlijn. Dat geldt zowel voor mannen als voor vrouwen. In Stockholm heeft meer dan tweederde van de gezinnen met tweede generatie nieuwkomers een dubbel inkomen. In Berlijn is dat amper één derde. Zonder een dubbel inkomen in die steden maken gezinnen echter nooit de overstap naar de middenklasse, waardoor die Turkse jongeren zelden of nooit de sociaal-economische status van hun ouders overstijgen.

Waarin schuilt de verklaring voor die opvallende verschillen tussen landen? Eerst en vooral in het onderwijssysteem. In Zweden gaan jongeren al op veel vroegere leeftijd voltijds naar school (3 jaar) en moeten ze pas op latere leeftijd (15 jaar) een definitieve keuze maken over welke richting ze in hun latere leven willen uitgaan. In Duitsland gaan ze pas - halve dagen - naar school op 6 jaar en moeten ze de belangrijkste studiekeuze maken op 10 jaar.

Te rigide systeem
Opvallend trouwens: in geen enkel van de zeven onderzochte landen zijn er meer kinderen van nieuwkomers die in het secundair beginnen aan een aso-opleiding dan in België, maar in geen enkel land ligt ook het aantal afhakers hoger. Het befaamde watervalsysteem dat het gevolg is van een nog veel te rigide onderwijssysteem, zo waarschuwt Crul. Ook een cruciale factor: kinderopvang. De Zweeds-Turkse vrouwen moeten aan het begin van hun carrière al niet meteen kiezen tussen thuisblijven voor hun gezin of werken omdat er voldoende en betaalbare crèches zijn en een uitgebreid stelsel van ouderschapsverlof.

Maar wat betekent die sociaal-economische groei voor de maatschappelijke opvattingen van die jongeren? Het antwoord is duidelijk: hoe beter de opleidings- en arbeidskansen, hoe meer progressieve opvattingen over bijvoorbeeld uit huis werkende vrouwen, seks voor het huwelijk of mannen die onder leiding van een vrouw werken. "Als de tweede generatie migranten de nodige kansen krijgt en zich sociaal-economisch kan opwerken, omarmt ze massaal progressieve waarden", aldus Crul. "Dat geldt vooral op terreinen waar het multiculturalisme zwaar onder druk staat, zoals de man-vrouwverhoudingen."

In dat soort landen ligt het aantal allochtone jongeren die een conservatief-religieuze islam aanhangen spectaculair lager (5 procent in Stockholm, 28 procent in Berlijn), terwijl 86 procent van die progressieve jongeren zich nog wel moslim noemt. Ook het aantal autochtone jongeren met racistische en xenofobe opvattingen daalt drastisch (5 procent in Stockholm, 18 procent in Berlijn), en er ontstaan in die steden veel meer vriendschapsbanden en relaties over de verschillende etnische bevolkingsgroepen heen.

Met uitzondering van een aantal extremisten aan weerszijden van het spectrum, vermoed ik dat we allemaal liever in dat soort maatschappij leven. Over het doel zijn we het dus allemaal eens, nu nog over de manier. Blijven we vasthouden aan het achterhaalde meerderheids-minderheidssysteem dat zegt "Jij moet je aanpassen aan ons" of kiezen we voor een model dat zegt "Wij zullen ons systeem aanpassen maar jij moet dan wel de kansen grijpen"?

Gaan we voor een scenario dat aanzet tot wederzijdse gevoelens van angst en vernedering, of zetten we in op emancipatie en hoop?